Nieuwe soorten waaien aan of kruipen traag omhoog

Een Nederlands-Maleisische expeditie onderzocht soortvorming op de Kinabalu, de hoogste, maar nog ‘jonge’ berg van Zuid-Oost-Azië.

De Kinabalu is ruim 4.000 meter hoog. Daar verzamelden biologen onder andere eenhoornkikker, eentractormiljoenpoot enspringspinnen van het geslacht Myrmarachne, die op mieren lijken. Foto’s Joris van Alphen, Peter Koomen en J. Kong.

Op de Maleisische berg Kinabalu leven honderden planten en dieren die nergens anders voorkomen. Waar komt die enorme rijkdom vandaan? Een deel stamt af van aangewaaide migranten, een ander deel van omhoog gekropen soorten uit het laagland. Nederlandse en Maleisische biologen maken dat vandaag bekend in Nature.

Kinabalu is een eenzame berg. Met een hoogte van 4.095 meter is het de hoogste berg in de Indische archipel. Hij torent 1.500 meter boven andere bergen van Borneo uit.

Drie jaar geleden verzamelden de 47 soortendeskundigen van de Nederlands-Maleisische expeditie er twee weken lang planten en dieren, om de evolutionaire geschiedenis van de tropische berg te ontsluieren.

De kolonisatieroutes door de lucht en over land maakten van Kinabalu een evolutionaire kraamkamer waar in hoog tempo nieuwe soorten ontstaan, concluderen de biologen na verwerking van de gegevens.

De soorten bovenaan de berg komen van ver: van bergen buiten Borneo of uit koelere laaglandgebieden op hogere breedtegraden. Het zijn planten en schimmels met lichte zaden en fijne sporen die zich ver laten dragen door de wind. Voor deze koelteminnende soorten is Kinabalu een eiland in de lucht, waar ze kunnen ontkiemen en groeien.

De soorten langs de lagere hellingen van Kinabalu zijn van lokale komaf. Het zijn kikkers, insecten en planten uit het laagland die zich hebben aangepast aan het bergleven hogerop. „Een slak kan de top alleen kruipend bereiken”, zegt kever- en slakkenkenner en expeditieleider Menno Schilthuizen van het Leidse Naturalis.

Geologisch gezien is Kinabalu een nieuwkomertje. De berg ontstond 6 miljoen jaar geleden toen een granietbel uit de aarde oprees en afkoelde. Ter vergelijking: de Alpen zijn 100 miljoen jaar geleden gevormd. Het graniet van Kinabalu komt nog altijd omhoog. De berg groeit een halve millimeter per jaar, met schokken en stoten. In juni kwamen nog 18 mensen om het leven bij een aardbeving.

De voet van Kinabalu is groen, warm en vochtig, maar op de kale top dalen de temperaturen tot het vriespunt. Daartussen ligt mossig en mistig nevelwoud. Doordat elke klimaatzone weer andere eisen aan het leven stelt, is er op tropische bergen zoals Kinabalu meer plek voor verschillende soorten dan in een bos, woestijn of savanne.

Jong én geïsoleerd. Kinabalu is daarmee de ideale proeftuin voor evolutiebiologen. De sporen van soortvorming zijn hier nog vers.

Op de lange klim naar boven verzamelden de biologen planten, dieren en paddestoelen. Insectenpootjes en kikkerteentjes gingen mee in flesjes alcohol. Uit plantenbladeren werden rondjes geponst, gedroogd en in silicagel bewaard. Bodemschimmels werden met aarde en al opgespit. Bij elkaar verzamelden de biologen meer dan 1.800 monsters.

De biologen verzamelden niet lukraak, maar zochten gericht naar endemische soorten – soorten die alleen op de berg voorkomen – en hun verwanten. Voor sommigen was dat even slikken. „Een spinnenspecialist zou het liefst álle spinnen willen verzamelen”, zegt Schilthuizen. De onderzoekers richtten zich echter op één springspinnengeslacht: Myrmarachne, springspinnen die op mieren lijken.

In Leiden isoleerden onderzoekers het DNA uit de verzamelde pootjes en ponsjes. Na DNA-analyse maakten ze stambomen van 35 soorten en keken waar de voorouders daarvan leefden.

De naaste verwanten van planten en schimmels hoog op de berg leven ver weg. De biologen vonden onder andere een vlijtig liesje dat verwant is aan een Vietnamese soort, een bladmos met een Australische zustersoort en een boterbloem uit Nieuw-Guinea.

Lager op de berg stammen de dieren en planten vooral af van lokale soorten. Het gaat om slakken, watermijten en bekerplanten met verwanten op Borneo zelf. Boven 2.000 meter komen deze oorspronkelijke laaglandsoorten amper nog voor. „Blijkbaar is het voor deze tropische soorten moeilijk om zich aan te passen aan kou en hoogte”, zegt Schilthuizen.

Bergen worden soms gezien als bewaarplaatsen voor soorten uit koele klimaten, die de berg optrokken toen het klimaat opwarmde. Maar uit het DNA-onderzoek blijkt dat de meeste soorten op Kinabalu jónger zijn dan de berg. Ze splitsten zich korter dan zes miljoen geleden af van hun naaste verwanten, toen ze de berg koloniseerden.

Er zijn uitzonderingen. Een kikkersoort zou bijvoorbeeld twee keer zo oud zijn als Kinabalu. En een weinig mobiele bloedzuiger zou van elders in Azië naar Kinabalu zijn gemigreerd. Artefacten, denkt Schilthuizen. „Waarschijnlijk zijn de Borneose verwanten uit het laagland nog niet beschreven. De bloedzuigers die daar aan toeristen kleven, zijn dus waarschijnlijk een nieuwe soort.”

Schilthuizen is tevreden met de resultaten, maar gaat niet snel weer zo’n expeditie organiseren. „Het was leuk werk, maar erg onrustig. We pendelden voortdurend tussen de acht verzamelstations op de berg. In twee weken moesten we alle monsters te verzamelen. Daarna moesten we het park uit. Er werd een bergmarathon georganiseerd.”