Column

Nederlandse makers zijn kanaries in de Duitse kunstmijn

Morgen begint vlak over de grens het grootste podiumkunstenfestival van Nederland. Vergeet Oerol, de Parade, Boulevard, Noorderzon – vergeet zelfs het Holland Festival: voor het beste muziektheater uit Nederland, België en ver daarbuiten moet je vanaf morgen in een oude mijn in Essen of een steenkolenhal in Dinslaken zijn. Ja, dat is in het Ruhrgebied, waar op festival de Ruhrtriennale sinds 2002 kunst bloeit op de ruïnes van de industrialisatie. En het is natuurlijk geen Nederlands, maar een Duits festival, zoals ook wel blijkt uit omvang (6 weken, 18 locaties, ruim 40 producties, 17 wereldpremières), budget (ruim 14 miljoen euro), ambitie, en intellectuele compromisloosheid. Plus de bijbehorende arty farty ontoegankelijke communicatie. Al vindt de Duitse pers alles rond de komende editie al een stuk laagdrempeliger dan voorheen. Verschil: vanaf dit jaar staat er een Nederlander, Johan Simons, aan het roer.

Dat nodigt uit tot vergelijken. Zo kan de Duitse kunsternst voor liefhebbers een verademing zijn: ver te zoeken is de neiging tot laag bij de grond of iets door de knieën. Maar vermoeiend is die ook, met zijn absolute verbod op relativering of ironie. En op gezelligheid: wat verklaart toch de Duitse angst voor een toegankelijk festivalhart, met eten, drinken en muziek? Het is spannend om te zien of Simons, zelf intussen aanzienlijk verduitst, hier wat zuurstof kan toevoegen. Kanaries in de kolenmijn zijn in elk geval een aantal gekoesterde Nederlandse en Vlaamse makers: mimeduo Boogaerdt/Van der Schoot, jeugdtheatergezelschap Orka, Ivo van Hove met Toneelgroep Amsterdam, Joep van Lieshout en Luk Perceval.

In 2017 komt Simons, mét Bianca van der Schoot, het Rotterdams theater omvormen. Ook dat maakt deze triënnale, waar werk van beiden te zien is, voor Nederlanders relevant. Voorspellende waarde? Weinig, daarvoor zijn de verschillen te groot. Hoewel het motto ‘Seid umschlungen’ (wees omarmd) en de ambitie om een breder publiek te bereiken hoopgevend zijn. Bij zo’n highbrow programma als dat van de Ruhr klinkt dat wat onwaarschijnlijk en opportuun. Maar voor Rotterdam is het een uitstekend voornemen.