Melancholiek monumentbouwer voor verliezers

Eriek Verpale (1952-2015)

Schrijver die werd geprezen om zijn melancholie en humor.

Eriek Verpale Foto Michiel Hendryckx

„Ik wil geen dingen verzinnen”, zei Eriek Verpale toen de jonge Arnon Grunberg hem in 1993 in Gent bezocht. „Ik wil orde scheppen. Ik zoek naar verbanden.” Maandag werd de 63-jarige Vlaamse auteur door zijn werkster dood gevonden.

Inderdaad lijkt er weinig verzonnen te zijn in het kleine oeuvre van Verpale, die de meeste bekendheid kreeg door de roman Alles in het klein die in 1992 werd bekroond met de NCR Literatuurprijs. In de voorgaande jaren had hij poëzie geschreven en in 1979 had hij de verhalenbundel Een meisje uit Odessa gepubliceerd, maar door het gebrek aan weerklank was hij teleurgesteld geraakt. Wel schreef hij in die jaren een groot aantal brieven aan zijn Vlaamse collega-schrijver Luuk Gruwez over wat hij zoal meemaakte en meegemaakt had. Gruwez overtuigde hem ervan die om te werken tot een (fragmentarische) roman die werd geprezen om zijn melancholie en humor – en om de muzikale wijze waarop hij de zwaarte van het bestaan onder woorden bracht.

Op het bescheiden succes van Alles in het klein volgde een decennium van relatieve productiviteit, waarin Verpale onder meer de ook verfilmde theatermonoloog Olivetti 82 publiceerde. Met Alles in het klein had hij zijn vorm gevonden, maar het was een vorm die zijn eigen beperkingen in zich droeg. In De patatten zijn geschild (1998) schreef hij „De brief, en het machteloze, humorloze gefilosofeer – zeg maar gelul – illustreren perfect de impasse waarin ik toen verkeerde. Later zal ik nooit, aan niemand, nog uitleggen waarmee ik bezig ben.” Tot die bezigheden behoorde ook een volgens hemzelf juist beheersbare alcoholinname.

In 2000 publiceerde hij nog Katse nachten, vol verhalen over zijn joodse overgrootmoeder die een groot deel van de opvoeding van de op 2 februari 1952 geboren Eric (later ‘verliteratuurd tot Eriek’ schreef hij zelf) op zich had genomen. Het bevatte mooie jeugdverhalen, zoals dat over Verpales vader, die voor een bierbrouwer werkte en in het café eindeloze ‘werkbezoeken’ meende te moeten afeggen. „Ik heb geen fantasie”, schreef Verpale aan het slot van dat verhaal. „Drie jaar na elkaar heeft mijn vader zijn vakantiegeld achter zijn kiezen gegoten en drie jaar na elkaar heeft hij het toch gepresteerd om een tiet van een excuus te verzinnen. Ik wou dat ik het ook kon: iets fantaseren.”

Daarna was het op. Zijn grote essay ‘De Jiddische literatuur’ werd niet gepubliceerd. Hij wees het boek slechts aan toen een verslaggever van deze krant op bezoek kwam in zijn kleine huis in Zelzate: „Hij nam me mee naar het uiteinde van de hoge boekenkast, en wees me op een enorm dikke, uitpuilende map die daar hoog op de bovenste plank tegen het plafond geklemd lag. Een zwart lint, zag ik, hield maar met moeite de inhoud bij elkaar.”

In zijn gesprek met Grunberg zei Verpale dat hij in zijn werk papieren monumenten voor „de mislukkingen, de losers, de gekwetsten, de verminkten” wilde oprichten. Gevraagd of hij zichzelf als een verliezer beschouwde, zei hij: „Ja. Maar iemand die uit zijn verlies winst probeert te distilleren. Door de literatuur.”