Kazachstan: kamelen blokkeren de snelweg

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

De grensovergang tussen Rusland en Kazachstan was niet te vergelijken met die tussen Polen en Wit-Rusland; slechts een kleine drie uur wachttijd. Een Russische douanier zei: „O, jullie gaan naar Afghanistan. Om je aan te sluiten bij de Talibaan?”

Direct na de grens werd de weg slechter, benzinestations werden schaars. Ook kwamen we wilde paarden en kamelen tegen.

Een van de weinige wegrestaurants bleek gesloten vanwege een bruiloft. In een nabijgelegen supermarkt kochten we voor ongeveer 3 euro brood, water en kaviaar die we staande voor de auto nuttigden.

Familieleden van de bruidegom kregen kennelijk medelijden, want hoewel het feest vrijwel voorbij was, nodigden ze ons uit om binnen te komen en mee te eten.

De eetzaal deed denken aan een kantine in een fabriek. Een dame schepte op.

Reisgenoot Qader zei: „Dat vlees kan je eten, dat is geen varkensvlees. Dat is paardenvlees.”

Kaiyribak, een broer van de bruidegom, kwam bij ons zitten en vroeg over onze reis. Een oudere man raakte ons liefdevol aan en andere gasten staarden ons verwachtingsvol aan.

„Dat paardenvlees smaakt curieus”, zei ik.

„Het zijn aardige mensen”, antwoordde Qader.

Maar vijf minuten later fluisterde hij: „Laten we gaan.” Abrupt stond hij op, de broer van de bruidegom en de bruid liepen nog met ons mee naar buiten.

Ik twijfelde er niet aan dat we fatsoensregels overtraden, maar in de auto zei Qader: „Misschien is alles wat in de film Borat over dit land wordt beweerd waar.”

Politie dreigde ons af te persen, kamelen blokkeerden de snelweg, en Qader zei: „Als ik terug ben, ga ik meteen naar de dokter en jij moet dat ook doen.”

„Waarom?”

„Omdat we gek zijn dat we dit doen.”

Tegen de avond bereiken we Atiraw. Een stadje dat in Texas niet zou misstaan. „Olie en gas”, zegt Qader.

Het Renaissance Atyrau Hotel is niet goedkoop, maar een verademing. Voor onze kamers zegt Qader: „We zijn in het paradijs beland, misschien zijn we dood.”

„En de maagden?”, informeer ik.

„Bel drie keer zeven, dan komen ze.” Qaders antwoord kan niet verhullen dat melancholie onze reis is binnengeslopen, een onbestemd verdriet. Hoe oostelijker we komen, hoe minder zeker we weten waarom we dit ook alweer deden.

„Morgen Beyneu,” zeg ik, „daar schijnt niets te zijn. We zullen tussen de kamelen slapen.”

„Je kent het spreekwoord”, antwoordt Qader. „Vertrouw op Allah, maar bind je kameel goed vast.”

Wordt vervolgd