Eurydice in game onderwereld

Voor de Ruhrtriennale bewerkten drie Nederlandse theatermakers Monteverdi’s opera ‘L’Orfeo’ tot ervaringstheater over de rol van de vrouw in de mythe, Eurydice. Orpheus’ muze.

Scène uit Orfeo, waarin Eurydice wordt gespeeld door zes verschillende actrices foto’s Ruhrtriennale

Maar hoe zit het met Eurydice? Natuurlijk, we kennen het mythische verhaal. Hoe haar geliefde Orpheus afdaalt in de onderwereld, waar geen sterfelijk mens zou mogen komen, en met zijn betoverende lierspel de grens tussen leven en dood doorbreekt. Hij overtuigt onderwereldheerser Hades om zijn gestorven echtgenote aan hem mee terug te geven, en die stemt in, op één voorwaarde: hij mag haar niet aankijken, voordat ze uit de onderwereld zijn. Hij doet het wel, en Eurydice sterft opnieuw. In de versie van Monteverdi’s opera L’Orfeo wordt de doodongelukkige Orfeo door Apollo naar de hemel gehaald.

Maar, vroegen theatermakers Susanne Kennedy, Bianca van der Schoot en Suzan Boogaerdt zich af, wat vindt Eurydice er eigenlijk zelf van?

Kennedy, op een terras in Berlijn, waar de drie werken aan hun voorstelling: „Eurydice is degene die alles in gang zet, zij is het punt waarop het verhaal begint. Zij inspireert Orpheus tot de toppen van zijn kunstenaarschap, zij is de aanleiding voor Monteverdi’s opera en talloze andere kunstwerken. Dat alles kan pas gebeuren en ontstaan omdat zij sterft. Ze is de muze, maar ze heeft geen stem in het verhaal. Wij vroegen ons af: hoe heeft zij het daar, in die onderwereld? Hoe ziet het eruit? En wil zij eigenlijk wel met hem terug?”

In 2013 werkte de Brits-Duitse regisseur Kennedy, groot geworden in het Nederlands toneel en nu verhuisd naar Berlijn, voor het eerst samen met makers/performers Boogaerdt en Van der Schoot met Hideous (Wo)men bij Oostpool, een doorgedraaide gruwelcarrousel rond de versplintering van zelfbeeld en identiteit. De samenwerking beviel. Toen intendant Johan Simons Kennedy vroeg om voor de Ruhr-triennale een opera te bewerken, besloot zij dat met Boogaerdt en Van der Schoot te doen, op advies van de Ruhrtriennale bovendien in samenwerking met het Berlijnse solistenensemble Kaleidoskop. Samen creëerden ze Orfeo, een beeldende theaterinstallatie in zeven stadia, waarin de toeschouwer een reis maakt door de onderwereld en daar, begeleid door flarden van de compleet gedeconstrueerde opera L’Orfeo, op Orpheus en Eurydice stuit. Maar vooral op Eurydice.

Rijtjeshuis

In groepjes gaat het, na via een koptelefoon instructies te hebben gekregen over onze ‘reis’ , door verschillende ruimtes van wat lijkt op een doodnormaal huis: woonkamer, eetkamer, badkamer, slaapkamer. Meubilair en materiaal zijn aan de goedkope kant, lijkt het; een rijtjeshuis in een vinexwijk ingericht door Leen Bakker. Maar steeds klopt er iets niet aan het beeld. De tv staat aan, maar we zien niets dan behang. Als de lamellen opengaan geeft dat uitzicht op niets. Het is een wereld die vertrouwd en vreemd aanvoelt tegelijk; een die wonderlijk balanceert tussen prettig en onaangenaam. En in elke ruimte treffen we haar, Eurydice. Een specifieke en tegelijk non-descripte vrouw: jong en blond, maar met een ongrijpbaar, onleesbaar gelaat; de zes actrices die haar vertolken dragen dezelfde blonde pruik en hetzelfde latex masker.

„De eerste uitdaging was natuurlijk het vormgeven van de onderwereld”, vertelt Kennedy. „Hoe ziet het er daar uit, hoe voelt het, van welk materiaal is het gemaakt? We wilden niet dat het heel gruwelijk, horrorachtig zou zijn, dat ligt te veel voor de hand.”

„En”, vult Van der Schoot aan, „hoe is het in de onderwereld gesteld met je besef van tijd en ruimte?”

Kennedy: „Misschien is het een parallelle wereld naast die van ons, die best wel op de onze lijkt.”

Van der Schoot: „Maar wel één waar je eindeloos in kunt ronddolen, waar je elk besef van tijd en ruimte verliest, en waarin je tegelijkertijd dood en onsterfelijk bent.”

Zo kwamen de makers uit op een tweedimensionale wereld, een virtuele wereld zoals je die ziet in computergames als Second Life en The Sims.

Kennedy: „Zulke spellen geven een gevoel van eeuwige oppervlakte. Het lijkt op de gewone wereld, maar alleen in de vorm, vagelijk; er zit niets achter, geen ziel, geen materie. Die spellen spelen is een soort oneindig dolen door de oppervlakte. Dat gevoel paste bij ons idee van de onderwereld.” Decorontwerper Katrin Bombe vertaalde dat naar een griezelig herkenbaar huiselijk concept, dat toch nét vreemd is: hout lijkt er plastic, de bakstenen muur is nep. Boogaerdt: „Dat versterkt het gevoel van vervreemding.”

Kostuumontwerper Lotte Goos trok dat vormgevingsconcept door naar het uiterlijk van Eurydice. Net als de wezens die virtuele werelden bevolken heeft ze een paar uitgesproken kenmerken, zoals artificieel golvend blond haar, volle lippen en gekalligrafeerde wenkbrauwen. Kennedy: „Ergens moest ze het ultieme meisje zijn, een icoon.” Maar dan is er dat masker, dat haar voor eeuwig jong, glad, en volledig expressieloos maakt.

Van der Schoot: „Die leegte past bij de wereld waarin ze verkeert, maar het is ook een consequentie van het feit dat ze Orpheus’ muze is. Wij vroegen ons af: wat is dat eigenlijk, een muze? Een mogelijkheid, een soort leeg scherm, waar iedereen ideeën en verlangens op projecteert. Bij ons wordt ze ook letterlijk een projectiescherm voor de toeschouwer.”

Tijdens de reis door de onderwereld treft die toeschouwer Eurydice overal aan; terwijl ze op de bank televisie kijkt, aan de keukentafel kersen eet of zich wast onder de douche, schuilgaand achter het douchegordijn. Ze laat zich volstrekt niet van de wijs brengen door de aanwezigheid van publiek – wij zijn voor haar slechts een voorbijgaand element in een oneindige sequentie van momenten, maar ze registreert die wel, en lijkt, minimaal maar onmiskenbaar, soms ook te reageren. Ze is onverschillig maar alert, als een dier.

Oefening in loslaten

Idealiter ervaart de toeschouwer de ‘reis’ als een oefening in loslaten, zegt Van der Schoot. „En dat begint al bij het loslaten van de verwachting van een voorstelling, van de behoefte aan een narratief.” Want, wie het plat wil zeggen, zou kunnen stellen: in Orfeo gebeurt niets. We betreden een ruimte; we zien Eurydice, zij ziet ons, we wachten af, gezamenlijk, tot – of – er iets voorvalt. Tot een signaal ons naar de volgende kamer dirigeert, waar dat alles zich min of meer herhaalt.

Die leegte, het uitblijven van een verhaal, is ook een opdracht aan de toeschouwer. Wat gebeurt er met je als er niets wordt ingevuld, als er geen betekenis is om je aan vast te klampen? Boogaerdt: „En dat kun je weer zien als een metafoor voor het leven. Je moet er zelf vorm, betekenis en zin aan geven.”

Dat klinkt boeddhistisch, en dat is het ook: een belangrijke inspiratiebron voor de makers, naast de opera van Monteverdi, was het Tibetaanse Dodenboek, een boeddhistische klassieker die handreikingen doet aan stervenden. Van der Schoot: „In de westerse wereld hanteren we een strikte grens tussen leven en sterven, tussen boven- en onderwereld, maar misschien is die grens wel niet zo duidelijk. In het Tibetaanse Dodenboek wordt de overgang van leven naar dood niet beschreven als een grens, maar als een beweging. En als het een beweging is, wanneer begint die dan? Is dat nu al? Zo beschouwd is het leven een voorbereiding op het sterven.”

Maar weinig westerlingen zijn natuurlijk bereid hun leven als zodanig te zien; sterven wordt gezien als een onwenselijke en onaangename bijkomstigheid die naar de uiterste randen van ons universum moet worden verdreven. Kennedy: „De premisse van L’Orfeo is niet alleen dat Eurydice sterft, maar ook dat Orfeo dat niet kan accepteren; hij kan haar niet loslaten. En dat geldt natuurlijk voor ons allemaal: we kunnen de dood niet accepteren; niet die van een geliefde, maar vooral niet die van onszelf. De dood is hier taboe. Terwijl boeddhisten zeggen: als je niet kan sterven, kun je ook niet leven.” Boogaerdt: „De dood zou een veel prominentere positie in moeten nemen in onze wereld. En daarin ligt natuurlijk een kans voor kunstenaars.”

Ze licht dat toe met een voorbeeld. In een van de ruimtes ligt Eurydice op bed; ze ziet er niet anders uit dan in de andere ruimtes, ogen open, wezenloos, maar in deze situatie herken je de vorm beter: zo ligt een stervende erbij. In deze kamer kan de toeschouwer op een stoel bij het bed gaan zitten. Boogaerdt, die net als Van der Schoot afwisselend meespeelt en regisseert, doorliep zelf het parcours als toeschouwer. Door aan het bed van een stervende te zitten, zegt ze, zag ze zichzelf als het ware al even in de rol van rouwende, in de toekomst. „Ik kon dat moment alvast meemaken, door in de vorm te stappen. Opeens kon ik me beter voorstellen hoe het zou zijn als mijn moeder daar zou liggen, of ikzelf. Dat vind ik een groot voordeel van zulk ervaringstheater boven traditioneel toneel: je kijkt niet naar een stuk dat erover gaat, maar je wordt er zelf fysiek onderdeel van. Je maakt het mee.”

Van der Schoot: „We hopen dat het publiek deze performance uiteindelijk ervaart als een oefening in het sterven.”

En hoe zit het dan met Orpheus?

Die is er ook, in de persoon van bariton Hubert Wild. Steeds zoekt hij Eurydice, terwijl hij vertwijfeld passages uit de opera zingt. Hij zoekt, terwijl hij ondertussen zijn kamer niet verlaat; alsof de zoektocht zich afspeelt in zijn hoofd, langs de randen van zijn gekwelde geest. Van der Schoot: „In het sterven, of aanvaarden dat een geliefde sterft, sta je genadeloos alleen.”