De verschrikking van de natuur

Op de expositie ‘Mijn Vlakke Land’ in het Fotomuseum Antwerpen geven zestig kunstenaars, fotografen en filmmakers hun visie op de natuur. Die kan verstikkend zijn, vijandig zelfs, maar ook overrompelend mooi.

Verderf, chaos, verstikking. Het zijn niet de eerste associaties die bij je opkomen als je denkt aan de natuur. Toch zijn dat de termen waarmee de Duitse filmmaker Werner Herzog in de documentaire Burden of Dreams (1982) het tropische regenwoud van Peru beschrijft. Als een omgeving die vooral gewelddadig is, en die vol zit met obsceniteiten: „Ik zie ontucht en verstikking en vechten om te overleven en te groeien ... en ... gewoon weg te rotten. […] De bomen hier zitten in de ellende, de vogels zitten in de ellende. Het is ook geen zingen wat ze doen, ze krijsen gewoon van de pijn. […] Er is geen harmonie in het universum.”

De documentaire gaat over de moeizame realisering van Herzogs film Fitzcarraldo, waarin de hoofdpersoon zich voor de schier onmogelijke opgave stelt een stoomboot dwars over een berg van de ene rivier naar de andere te duwen. Gemaakt zonder computeranimaties, met een echte boot op een echte berg, met modder en glijpartijen, uitgeputte acteurs en ruzies op de set. Daar ga je het landschap om je heen vanzelf van haten.

Bomen en bergen

Herzogs wanhopige tirade is te zien op de fantastische expositie Mijn Vlakke Land in Antwerpen waar ruim zestig fotografen, kunstenaars en filmmakers hun visie geven op de natuur. Net als Herzog ervaren zij die soms als vijandig, maar zij kan hen net zo makkelijk overrompelen met al haar schoonheid – met bomen en bergen, uitgestrekte vlakten, de zon en de maan, de wind en de regen.

De curatoren kozen in Mijn Vlakke Land – de titel is natuurlijk ontleend aan Jacques Brels gelijknamige lofzang – niet voor een hedendaags of historisch overzicht, maar voor ‘een poëtische rondgang waarbij visuele of inhoudelijke verbanden worden gelegd’.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat hier ook Paradise 09 van Thomas Struth te zien is, een foto gemaakt in het tropisch regenwoud in de Chinese provincie Yunnan. Op de enorme afdruk (270×340 cm) zien we een detail van een dichtbegroeid bos, de stammen en de takken en de bladeren ontnemen ons het zicht op de lucht erboven. Voor Struth is het paradijs blijkbaar niet dat traditionele concept van die serene, kalme en geordende tuin – zijn versie is wild en ongetemd en chaotisch. Onze blik dwaalt onrustig rond. Er is geen centraal punt, geen richting, geen houvast. Met datzelfde beklemmende gevoel waarmee Herzog zijn jungle-ervaring beschrijft, kunnen we ook kijken naar dit woud van Struth: het is zo dichtbegroeid dat je je erover verbaast dat de ene boom de andere het licht nog gunt om te groeien.

Verheerlijking

De verbeelding van het landschap is voor fotografen allang geen kwestie meer van alleen het verheerlijken van de natuur, zoals we dat bijvoorbeeld eind negentiende eeuw zien bij pioniers als William Henry Jackson en Carleton E. Watkins, met hun legendarische beelden van Yellowstone en Yosemite Valley. Of bij Ansel Adams, Amerika’s beroemdste natuurfotograaf, die decennia later met zijn werk een ode bracht aan het ongerepte Amerikaanse landschap.

Deze drie fotografen hangen met tijdgenoten in een apart kabinet in de tentoonstelling – en herinneren de kijker eraan dat dit een van de bekendste natuurbelevingen is: de verwondering over en bewondering voor het grootse, het overweldigende, het spectaculaire. Het is de ervaring die de mens kent als hij zijn blik richt op de oneindigheid van de oceaan of de overweldigende hoogte van de bergtoppen. Het sublieme, zo benoemde de Ierse filosoof Edmund Burke die ervaring, die hij ook wel een vorm van „delightful horror” noemt: de ‘verrukkelijke verschrikking’ die de mens kan overvallen als hij wordt geconfronteerd met de soms dreigende en tegelijkertijd overdonderende schoonheid en kracht van de natuur.

En dus legden fotografen de hoogste watervallen, de ruigste bergtoppen, de diepste ravijnen vast – zaken waar natuurlijk ook de moderne toerist en de amateurfotograaf graag zijn camera op richt. De expositie toont een mooie compilatie van honderden diabeelden in een meterslange lichtbak van anonieme amateurs die allemaal de behoefte hadden diezelfde rotspartijen en besneeuwde berghellingen te fotograferen.

Kunstenaars leveren graag commentaar op dit soort beeldclichés. Zij doen dat door ons bewust te maken van het cliché, zoals de Zwitserse Corinne Vionnet (1969), die in Matterhorn – Photo Opportunities amateuropnames van bekende monumenten en landschappen in licht verschuivende perspectieven samensmeedt tot één nieuw beeld. Of door ons erop te wijzen dat bepaalde plaatsen nou wel zo idyllisch lijken, maar het in werkelijkheid helemaal niet zijn, zoals Andreas Mühe (Duitsland, 1979) doet met zijn Selbstbildnis – Obersalzberg (2012). De foto verwijst naar de gelijknamige berg in de Beierse Alpen waar Adolf Hitlers Berghof stond. Met zijn geënsceneerde werk, deels gebaseerd op historische snapshots, laat Mühe zien dat deze prachtige berg een geschiedenis kent waarin de woorden onschuld en idylle geheel niet op hun plaats zijn.

Toch, ondanks deze kritische noten, is Mijn Vlakke Land vooral een prachtige lofzang op de schoonheid en de meditatieve kracht die er van de natuur kan uitgaan. Die ervaren we als we kijken naar de sterrenhemel, zo machtig gefotografeerd door Thomas Ruff. We zien hoe het zonlicht schittert op de zee, vastgelegd door Asako Narahashi, die de kust van Japan fotografeert terwijl ze zelf dobbert in de golven. Heel bijzonder is ook het intense landschap, #212-7 – Sequester, van Awoiska van der Molen (Nederland, 1972). De foto laat een nachtgrijze hemel zien en een bijna gitzwarte berg – bovenop zijn witte strepen zichtbaar, afkomstig van lampen van nachtelijke wandelaars die door de lange sluitertijd sporen achterlaten op het negatief. De foto toont ons een verzadigde duisternis die een diepe stilte oproept. Als je naar dit beeld kijkt ga je toch denken dat er wel degelijk harmonie in het universum aanwezig is. Je moet het alleen willen zien.