De oksel van de vrijheid

De Vietnamees-Deense kunstenaar Danh Vo is deze zomer een ster op de Biënnale van Venetië. Vorige week opende zijn solo-expositie in Museum Ludwig in Keulen.

Danh Vo, We The People, Armpit, 2011-2013 Foto Rheinisches Bildarchiv Keulen/ Britta Schlier

Hij is altijd al een beetje recalcitrant geweest. In 2004, Danh Vo was toen nog student aan de kunstacademie in Kopenhagen, kreeg de Vietnamese kunstenaar een boete van 400 Deense kroon voor het tonen van zijn blote achterwerk aan een groep politieagenten. De bekeuring nam Vo in 2007 op in zijn kunstenaarsboek Self Portrait, samen met een brief van zijn schilderdocent Peter Bonde, die op 27 mei 2004 had geschreven: „Danh Vo zit nu een jaar in mijn klas, en ik kan zijn motieven wel of niet begrijpen, maar ik raad hem van harte aan te stoppen met schilderen.”

Ruim tien jaar later hoort Vo tot de meest gewilde kunstenaars van de wereld. Verzamelaars buitelen over elkaar heen om zijn sculpturen te bemachtigen, op veilingen is voor objecten van nog geen vijf jaar oud al meer dan een half miljoen euro betaald. Deze zomer is zijn werk alom te zien – bijvoorbeeld in Venetië, waar hij Denemarken op de Biënnale vertegenwoordigt en waar hij een expositie samenstelde in museum Punta della Dogana. Afgelopen week opende bovendien een soloshow in Museum Ludwig in Keulen, met de cryptische titel Ydob eht ni mraw si ti.

Zijn naam is dus gevestigd, maar zijn wilde haren is Danh Vo allerminst kwijtgeraakt. Dat merkte verzamelaar Bert Kreuk, die middels de rechter een kunstwerk van Vo afdwong en vervolgens door de kunstenaar het voorstel toegestuurd kreeg voor een muurschildering met de tekst ‘Shove it up your ass, you faggot’. Zoiets was te verwachten. Vo ontleent vaker titels aan de horrorfilm The Exorcist (1973). Hij bekeek de huiveringwekkende film als zevenjarige – dat moet behoorlijk traumatisch zijn geweest. Nu dragen zijn beelden namen als Your mother sucks cock in hell en Lick me, lick me. Hij schept er genoegen in, zegt Vo, om galeriehouders en verzamelaars die woorden hardop te horen zeggen. Ook de titel van zijn tentoonstelling in Keulen blijkt een quote uit The Exorcist (‘it is warm in the body’), maar dan omgedraaid, zoals dat gaat met satanische boodschappen.

Dat Vo de obscene zin niet in een opwelling aan Kreuk heeft toegestuurd, blijkt in Keulen al in de eerste zaal. Daar ligt een grillig gevormde tak op de vloer die dezelfde titel draagt, maar volgens het tekstbordje al in 2013 gemaakt is. Uit een van de knoesten groeit een handje, duidelijk een stuk houtsnijwerk uit vroeger eeuwen, wellicht zelfs van een heilige. Van de vijf vingers is alleen de middelste nog intact, waardoor het beeld een nogal puberale bijsmaak krijgt. Grote vraag is natuurlijk of de vingers er in de loop der eeuwen vanzelf afgebrokkeld zijn, of dat Vo ze er bewust heeft afgehakt.

Vo heeft er bepaald geen problemen mee om cultureel erfgoed te mutileren, zo blijkt in een volgende zaal. Daar ligt een fragment van een Romeins Apollobeeld uit de tweede eeuw in een vintage houten kistje van het Amerikaanse merk Carnation Milk: de roomwitte marmeren billen passen er precies in. Het heeft iets pervers, dat Vo een twee millennia oude sculptuur verzaagd heeft om als grondstof voor zijn sculptuur te dienen. Tegelijkertijd zegt het werk ook iets over de vreemde mechanismen van de kunstmarkt. Daar wordt voor eeuwenoude sculpturen weinig meer betaald, terwijl met hedendaagse kunst van sterren als Vo lustig gespeculeerd wordt. Zelf geeft Vo overigens een pragmatischer uitleg over zijn werkwijze: „Ik heb het beeld in stukken gesneden zodat het binnen de richtlijnen van Easyjets handbagage zouden vallen.”

De manier waarop Vo met gevonden voorwerpen en bestaande objecten werkt, maakt hem tot een kleinzoon van Marcel Duchamp en Andy Warhol. Op de museumvloer staan talloze readymades: sigarettendozen waarin sloffen Marlboro en Chesterfield gezeten hebben, en halflege flessen Johnny Walker en Coca-Cola. Maar geheel kant-en-klaar zijn ze niet: de logo’s op de dozen zijn met de hand ingelegd met bladgoud. Zo plaatst Vo zich in de traditie van Warhols Brillo-dozen, maar geeft hij er wel zijn eigen draai aan. Zijn werk is zowel conceptueel als handgemaakt.

Ondanks al die referenties en alle noeste arbeid die er in de werken zit, voelt de presentatie toch wat gemakzuchtig. De sigarettendozen en whiskyflessen mogen dan voor Vo belangrijke verwijzingen zijn naar het beloofde land Amerika, het zijn intussen tevens nogal platte symbolen geworden van de westerse consumptiemaatschappij. Hier staan de artikelen losjes op de vloer, alsof de restanten van de opening nog niet helemaal zijn opgeruimd. Maar als het Vo om die chaos te doen was, had hij kunnen weten dat kunstenaars als Sarah Lucas of Tracey Emin dat in de jaren negentig al vele malen overtuigender hebben gedaan.

De keuze van Vo om zijn werk te laten zien in combinatie met dat van de Amerikaanse fotograaf Peter Hujar is ook al zo’n zwaktebod: alsof Vo zelf niet genoeg werk had om de vijf zaaltje te vullen. Zo wordt het klapstuk van de tentoonstelling, een zes meter hoge replica van de oksel van het Vrijheidsbeeld gecombineerd met Hujars foto van de travestiet Candy Darling op haar sterfbed. Bij gebrek aan enige uitleg ben je als toeschouwer gedwongen om zelf op zoek te gaan naar overeenkomsten. Inderdaad: ook zij heeft haar arm omhoog gestoken, ook bij haar is haar pofmouw omlaag gezakt tot haar oksel. En kwam Candy Darling niet uit de entourage van Warhol, de kunstenaar tot wie Vo zich zo graag verhoudt?

Zo zit deze tentoonstelling vol dwarsverbanden, soms diepzinnig, maar veelal nogal oppervlakkig. De ingrediënten voor een mooi kunstwerk zijn er: kunstgeschiedenis, Vo’s vluchtverhaal, de relatie met zijn ouders, de kapitalistische symbolen. Je proeft dat hij iets te zeggen heeft over onderwerpen als migratie, culturele identiteit, kolonialisme en religie. Zijn werk is meerduidig en gelaagd, gedurfd maar soms ook kinderachtig. Uiteindelijk is het allemaal te veel los zand om er een overtuigend verhaal van te maken.