Column

Bootvluchtelingen uit de Achterhoek

Migranten die in het zicht van het beloofde land verdrinken. Ook Nederland heeft zo’n drama gekend. Het voltrok zich in 1847 op het Michiganmeer in de Amerikaanse staat Wisconsin. De migranten kwamen overwegend uit de Achterhoek en op acht kilometer van hun bestemming vloog hun boot in brand en zonk. Zo’n 150 Achterhoekers vonden de dood.

Door de scheepsramp viel de Nederlandse emigratie naar Amerika tijdelijk vrijwel stil. In het midden van de negentiende eeuw trokken vele boeren naar Amerika om daar hun geluk te beproeven. Zij ontvluchtten de armoede, belastingen en de vervolging van de gelovigen die zich hadden afgescheiden van de Nederlands Hervormde Kerk. Amerika leek het land van de onbegrensde mogelijkheden. Vaak werd de stap gezet na brieven van familieleden – „blijf toch niet langer in dat verdrukte land” – die eerder waren overgestoken, aldus Willem Wilterdink in Winterswijkse pioniers in Amerika (1990).

In augustus 1847 begon een groep van zo’n 175 emigranten aan zo’n uittocht. Die ging eerst naar Rotterdam, waar op 20 augustus werd ingescheept op de France. Nadat die op 26 oktober – zo lang duurde de overtocht toen – in New York was aangekomen, trokken de meesten verder over land naar Buffalo, aan het Eriemeer. Daar werd ingescheept op de Phoenix, een stoomboot die het lucratieve transport van emigranten over de Grote Meren naar de Midwest verzorgde.

De Phoenix vertrok op 11 november. Hij doorkruiste het Erie- en Huronmeer en koerste toen zuidwaarts door het Michiganmeer. Maar op 21 november, twee uur na middernacht, sloeg het noodlot toe. Op acht kilometer van de kust van Sheboygan, waar de meeste passagiers zouden uitstappen, brak brand uit. Die verspreidde zich zo snel dat hij niet meer was te blussen. Er waren slechts twee reddingsboten, die tezamen zo’n dertig mensen in veiligheid konden brengen. De anderen moesten kiezen om in de vlammen te verbranden of in het ijskoude water te verdrinken. De meesten kozen het laatste, na een deur, ladder of balk in het water te hebben gegooid.

In de haven van Sheboygan werd de Delaware voor hulp ingezet, maar die kon pas na ruim een uur de plaats des onheils bereiken. Toen was de Phoenix al tot bijna de waterlijn afgebrand en „was het nu weer gladde oppervlak van het meer bezaaid met overblijfselen en drijvende lichamen die zich in hun dood nog aan stukken wrakhout leken vast te klampen”. Aldus Bill Wangemann in zijn The Loss of the Phoenix, A Great Lakes Tragedy (1995).

Het totale aantal slachtoffers bleef lang onduidelijk. Passagierslijsten waren onvolledig ingevuld of zoekgeraakt en onderweg waren ook mensen aan boord gekomen en ervan afgegaan. Volgens onderzoek van Mary Risseeuw, een afstammelinge van Nederlandse emigranten en auteur van A Phoenix Sesquicentennial Tribute (1997), zou de Phoenix ongeveer 174 Nederlandse emigranten, 14 Amerikaanse passagiers en 23 bemanningsleden aan boord hebben gehad. Van de Nederlanders werden er slechts 24 gered. Meer dan de helft van de slachtoffers waren kinderen. Hele gezinnen waren in één klap weg.

Eén van de overlevenden was Hendrik Jan Wilterdink, een achterneef van mijn betovergrootvader. Hij was de enige van de zestien Wilterdinks die de ramp overleefde. Hij verloor een vrouw en vijf kinderen.

In Sheboygan werd in 1999 een gedenkplaat ter nagedachtenis aan de ramp geplaatst. In Winterswijk, waar de meeste emigranten vandaan kwamen, is dat nog niet gebeurd.