Vrees voor sprakeloosheid

De laatste tijd heb ik zo veel gepraat dat ik bang ben om sprakeloos wakker te worden. De dreigende sprakeloosheid voelt bijna als een fysieke aandoening, alsof er in het lichaam een reservaat aan woorden ligt dat langzaam leeg raakt.

Wie weleens xtc heeft genomen, weet dat je na gebruik een week lang met de angst leeft dat alle happy hormonen zijn opgebruikt.

Het hersendeel waar serotonine wordt aangemaakt heeft overuren gedraaid en staakt.

Pas na een paar dagen komt de zin weer op gang.

Het vrouwelijk lichaam heeft een eindige voorraad eitjes: op een dag zijn ze op.

Als taal onze geestelijke vrucht is, heeft ieder mens wellicht net zo’n eindige voorraad woorden.

Misschien weten we het alleen niet, omdat we nooit oud genoeg zijn geworden om erachter te komen. Dan worden bejaarden niet doof omdat de haarcellen slijten, maar is de graduele verslechtering van het gehoor een truc van de natuur om ervoor te zorgen dat je met je laatste restjes woorden de tijd kunt doorkomen. Wie weinig hoort, hoeft immers ook nauwelijks te reageren. De ontwikkeling van een steeds krachtiger gehoorapparaat zorgt er echter voor dat die natuurtruc niet meer werkt.

Gisteren hoorde ik dat een vriendin van de familie was overleden.

Iedereen zei: ‘Het is beter zo’, omdat ze al jaren aan dementie leed. Voorheen zei iedereen dat het allemaal ‘extra’ pijnlijk was, omdat ze altijd zo geweldig kon oreren. Als hoogleraar vulde ze collegezalen met woorden en thuis praatte ze stug door. Tot het ineens stokte. Misschien is dementie geen ziekte van vergeten, maar een teken van verbruik.

Als ik zo om me heen luister en kijk, lijken de mensen die veel praten als eerste dementie te krijgen (andersom is de redenering natuurlijk eerlijker: bij die mensen die ooit veel praatten, valt de stilte meer op).

Waarschijnlijk komt deze ietwat kokette angst voor het verdwijnen van woorden voort uit een verlangen naar waarde. Het is heel christelijk gedacht, maar schaarste geeft gewicht.

Ik ben niet bang om midden in een zin stil te vallen. De vrees voor sprakeloosheid is er alleen bij het ontwaken. De nacht is het enige duidelijke moment van reset.

Daarom heb ik geregeld dat er iemand bij mij in bed ligt.

’s Ochtends realiseer ik me eerst dat de kuit in mijn knieholte niet van mij is, dan volgt een tastend fluisteren, ter opwarming, zoals de arts die in de handen wrijft voor zij of hij je aanraakt.

„Goedemorgen.”

De opluchting.

Ik vertel wat ik heb gedroomd. De inhoud onbelangrijk, verzonnen zelfs, zolang de woorden maar stromen.

De angst stillen is de angst voeden.