Rassen bestaan; in elk geval in de hoofden van mensen

Rassen bestaan biologisch niet, schreef fysisch antropoloog Machteld Roede onlangs. Piet de Rooy dient haar van repliek.

Naar aanleiding van de rassenrellen in de Verenigde Staten meent Charles Groenhuijsen (NRC 21/07) dat blank en zwart ‘een akelig verleden’ beter kunnen vergeten en hun best moeten doen elkaar meer te begrijpen.

Dat betoog werd ondersteund door Machteld Roede (NRC 25/07). Zij verklaarde dat ‘ras’ wetenschappelijk gesproken een waanidee is. Als deze gedachte nu maar alom aanvaard werd dan zou het onderlinge begrip toenemen, zo is haar conclusie. Was het maar waar.

In de fysische antropologie werd rond 1900 al beseft dat ‘ras’ een betrekkelijk onhanteerbaar begrip was. Raszuiverheid bleek nergens meer te vinden, daarvoor waren de migratiestromen over de gehele wereld veel te intensief geweest.

Een aantal intellectuelen legde zich hier echter niet bij neer. Houston Chamberlain bijvoorbeeld veegde deze wetenschappelijke conclusie ferm opzij.

In zijn ongehoord populaire boek Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts (1899) beweerde hij dat iedereen met ogen in zijn hoofd toch kon zien wat ‘ras’ was? Hij liet de biologische fundering van het begrip los en zag ‘ras’ als een gevoelseenheid, gedreven door wil en instinct. Juist die opvatting maakte het politiek ook zo exploitabel, zoals in de jaren dertig zou blijken.

Na de Tweede Wereldoorlog werd nieuwe hoop gevestigd op de kracht van het wetenschappelijke argument. In juli 1950 gaf de UNESCO een verklaring uit over The Race Question, opgesteld door een groep vooraanstaande biologen als Th. Dobzhansky en Julian Huxley.

In november 1978 kwam een nieuwe verklaring, de Declaration on Race and Racial Prejudice, die de oorspronkelijke verklaring in nog veel scherpere bewoordingen herhaalde. Dat was dus kennelijk niet overbodig.

Meer recent is de hoop gevestigd op de resultaten van genetisch onderzoek. Daaruit blijkt immers dat de leden van de species homo sapiens op ruime schaal en in elk denkbare combinatie geslachtsverkeer hebben onderhouden.

Het gouden voorbeeld in dit opzicht is Brazilië. Daar heeft zich in de loop der geschiedenis een zodanige menging, miscegenation, voorgedaan, dat ‘ras’ niet langer als maatschappelijk ordeningsprincipe functioneerde. Daar heerste een ‘raciale democratie’.

Onderzoek onder leiding van de geneticus Sérgio Pena, vanaf 2000 gepubliceerd, liet bijvoorbeeld zien dat zestig procent van het erfelijk materiaal van mensen die zichzelf als ‘blank’ beschouwden, in feite van Afrikaanse of Indiaanse herkomst was. Rationeel gezien was daarmee dus elke wetenschappelijke basis onder raciale discriminatie weggeslagen. Dat was in ieder geval de verwachting van Pena, maar de praktijk leert anders.

Nergens is het aantal termen om de talloze varianten van een gemengd-raciale afkomst aan te duiden zo verfijnd als in Brazilië. De praktijk is minstens zo onrechtvaardig als elders (The Economist, 28/01/2012).

De wetenschappelijke basis van het racisme mag dan bij herhaling zijn afgeschaft, dat wil allerminst zeggen dat daarmee ook het racisme is opgeheven. Dat komt immers vooral voort uit emoties, het is een geloof dat niet vervliegt bij een rationele tegenwerping. En als mensen geloven dat iets waar is, dan wordt het waar in zijn consequenties. De wetenschap heeft op dit terrein een blijvende verantwoordelijkheid, maar een vermindering van discriminatie kan slechts bereikt worden door een even langdurig als standvastig optreden van de overheid.

Raciale verhoudingen vormen nu eenmaal, naar een uitspraak van de Nederlandse socioloog Jacques van Doorn, een kruitvat dat zorgvuldig moet worden natgehouden.