Op Duitse onderzeeboten zit nu toch een smetje

ThyssenKrupp wist meer van oude smeergeldaffaires dan het altijd gezegd heeft.

Schaalmodel van een ThyssenKrupp-onderzeeër op een wapenbeurs in Singapore, eerder dit jaar. Foto AFP

Het bericht dat de Australische premier Tony Abott 60 miljard euro gaat steken in de vernieuwing van de vloot, was dit weekeinde ook goed nieuws in Duitsland. Want de Australiërs gaan zelf fregatten, korvettenen en patrouilleboten bouwen, maar willen voor de bouw van twaalf onderzeeërs een internationale aanbesteding uitschrijven. Het gaat om een opdracht met de exceptionele waarde van 35 miljard euro en dat zorgt voor flink wat opwinding in Berlijn. Want de Duitse scheepswerf ThyssenKrupp Marine Systems (TKMS) in Kiel is een van de gegadigden voor de opdracht. De werf moet het opnemen tegen een Franse en een Japanse concurrent.

TKMS heeft daarbij forse logistieke steun van de Duitse staat, meldde het weekblad Der Spiegel zaterdag. Deze dochter van het staalconcern ThyssenKrupp spant zich al enige maanden in om de mega-opdracht in de wacht te slepen en de Duitse ambassade verleent daarbij in verregaande mate hand- en spandiensten. Der Spiegel citeert uit een enthousiast diplomatiek telegram uit februari van de Duitse ambassade in Canberra aan Berlijn waarin wordt gepleit voor de „versterking van de ambassade” met extra militaire attachés. De belangen van Duitsland en het bedrijf TKMS vallen in het telegram helemaal samen: „Omdat wij ons duidelijk als partner van Australië moeten positioneren.” Een paar weken later bedankt Heinrich Hiesinger, de chef van moederbedrijf ThyssenKrupp, minister Ursula von der Leyen (Defensie, CDU) uitbundig „voor de uitstekende ondersteuning door uw departement”. Hij benadrukte dat „een concrete programmabegeleiding (...) door de Duitse Bundeswehr van doorslaggevende” betekenis zou kunnen zijn.

Het opmerkelijke bij dit alles is echter dat de Duitse regering zich officieel niet bemoeit met de belangen van de wapenindustrie. Toen twee jaar terug de fractie van die Linke in de Bondsdag vroeg naar de relaties tussen het ministerie en de industrie, was het antwoord dat de wapenindustrie geen stem heeft in de vraag waar militaire attachés worden ingezet. „Er vinden en vonden geen overleggen of consultatie plaats met de industrie.”

Het is in Duitsland een gevoelig thema omdat het land er formeel hoge ethische normen op na houdt waar het gaat om wapenexporten. Minister van Economische Zaken, Sigmar Gabriel, tevens vice-bondskanselier en SPD-leider, bevindt zich daarbij in een spagaat. Hij vindt dat „ er geen sprake kan zijn van een categorisch ‘neen’ tegen wapenexport”. Tegelijkertijd vindt hij het, mede onder druk van de pacifisten in zijn achterban, officieel een „schande” dat Duitsland hoort bij de grootste wapenexporteurs.

De verwevenheid van de Duitse staat bij de exportbevordering van met name marineschepen is daarbij groot. Het gaat met name ook om de praktijk dat Duits militair personeel wordt ingezet als instructeur om militairen van andere landen te scholen in het gebruik van materieel van ThyssenKrupp. Daarbij gaat het volgens Der Spiegel bijvoorbeeld om marine-instructeurs voor onderzeeërs, die werken voor TKMS-klanten als Griekenland, Zuid-Afrika, Israël, Portugal, Colombia of Singapore.

Het risico daarvan is bovendien dat de Duitse staat verwikkeld raakt in smeergeldaffaires die de afgelopen jaren met name bij de export van onderzeeërs aan het licht zijn gekomen. Dat blijkt deze week nu bekend geworden is dat ThyssenKrupp wel degelijk op de hoogte was van smeergeldpraktijken. In 2011 werden twee managers van het bedrijf Ferrostaal veroordeeld wegens het betalen van smeergeld bij de verkoop van onderzeeërs aan Griekenland. ThyssenKrupp waste daarbij de handen in onschuld. Maar nu blijkt, volgens Handelsblatt, dat de in 2011 geliquideerde ThyssenKrupp-dochter Marine Force International (MFI) (waarin ook Ferrostaal belangen had) door middel van een netwerk van offshore-bedrijven gelden naar dubieuze adviseurs gesluisd heeft om opdrachten binnen te halen. Het ging hierbij om een totale omzet voor ThyssenKrupp van 7 miljard euro voor opdrachten in Turkije, Griekenland en Zuid-Korea.

Waarschuwingen van de interne compliance-officer belast met de controle op de naleving van de eigen ethische richtlijnen van het concern werden genegeerd. In een voorkomend geval werd zij ook buiten spel gezet. Een externe partner van MFI ontving een voorschot van 250.000 euro voor het bemiddelen van een contract tussen een Turkse werf en de Egyptische marine voor de bouw van motortorpedoboten. Dat MFI voor de bemiddeling betaalde vloeide voort uit de zogeheten ‘offset-zaken’ (zie kader) die bij de verkoop van onderzeeërs aan Turkije waren overeengekomen. De compliance officer rapporteerde dat dit veel weg had van corruptie. De chef van MFI gaf haar te verstaan dat dit de normale gang van zaken was bij offset-handel. Korte tijd later werd de kwestie aan haar controle onttrokken.

ThyssenKrupp gaat in een reactie in Handelblatt niet in op concrete kwesties, maar benadrukt dat de verkoop van oorlogsschepen intussen geheel is gereorganiseerd.