Niks mis met no cure no pay (als je het goed regelt)

Juist nu advocaat Korvinus flink aan de zaak van klokkenluider Ad Bos lijkt te hebben verdiend, breekt Antonie Kerstholt een lans voor no cure no pay.

De ophef over de vermeende, verboden afspraak tussen klokkenluider Bos en zijn advocaat Korvinus dwingt de Orde van Advocaten na te denken over het nut van het nog langer handhaven van het verbod op het ‘no cure no pay’-betalingssysteem. Het opheffen van het verbod op no cure no pay zal voor iedere rechtzoekende in een tijd dat de gefinancierde rechtshulp verder wordt afgebouwd, alleen maar voordelen bieden. Zeker als de Orde van Advocaten grenzen zal stellen aan maximale vergoedingen bij dit betalingssysteem.

Eerst even: wat is no cure no pay?

Het verbod op het betalingssysteem no cure, no pay houdt voor rechtzoekenden in dat advocaten met hun cliënten niet mogen afspreken (met uitzondering van letselschade- en overlijdensschadezaken) dat de betaling van hun dienstverlening afhankelijk wordt gesteld van het resultaat van een zaak. Bij geen resultaat hoeft er niets betaald te worden. Dat is het risico van de advocaat. En bij een goed resultaat krijgt de advocaat een vergoeding die relatief hoog kan uitvallen omdat ook het risico van het niet betaald krijgen van zaken met een slecht resultaat voor de advocaat economisch afgedekt moet zijn.

Voor de advocaat moeten de verliesgevende zaken dus door de winstgevende gecompenseerd worden. En dat levert soms extra hoge vergoedingen op in individuele succesvol afgeronde dossiers en zaken. Ten nadele van de individuele cliënt. Maar die compenseert daarmee het risico van het moeten betalen van een dure advocaat bij verlies van zijn zaak.

Wat waren de argumenten tegen?

In de verzorgingsstaat waren er goede argumenten te verzinnen om cliënten te beschermen tegen de nadelen van het no cure no pay-principe. En die nadelen kunnen groot zijn. Zo kan bijvoorbeeld een advocaat ervoor kiezen alleen maar zaken aan te nemen waarvan op voorhand het risico van verlies als nihil kan worden ingeschat, terwijl voor die zaken door de advocaat toch een hoge vergoeding (success fee) wordt bedongen. In dat soort zaken is de cliënt beter af met een betalingssysteem dat is gebaseerd op het aantal uren dat aan de zaak wordt besteed en een vast uurtarief. Een ander nadeel: de advocaat zou eerder geneigd kunnen zijn om de zaak te schikken om zijn vergoeding veilig te kunnen stellen.

Waarom is een verbod niet meer van deze tijd?

De participatiesamenleving waarin we nu leven, vraagt om een geheel andere benadering van het no cure no pay-principe. Toepassing van dat beginsel geeft aan minder draagkrachtige rechtzoekenden de mogelijkheid om verzekerd te blijven van professionele rechtsbijstand. Zeker nu de overheid de gefinancierde rechtshulp nog verder wil afbouwen. De toegankelijkheid van ons rechtssysteem voor alle rechtzoekenden, rijk en arm, is immers een basisvereiste voor een goed functionerende rechtsstaat.

Hoe kan het dan wel werken?

De nadelen van het no cure no pay-betalingssysteem kunnen snel weggenomen worden. Elke zaak kent immers vaak vooraf een goed in te schatten ‘financieel belang’ dat met de zaak of het dossier gemoeid is. En als de Orde van Advocaten maximale vergoedingen verplicht stelt die zijn afgestemd op dat financiële belang, kunnen exorbitant hoge vergoedingen en success fees gemakkelijk worden voorkomen. De toegang tot ons rechtssysteem blijft dan voor alle rechtzoekenden geborgd en transparant, zeker wanneer de rechtzoekende ook nog eens bij meerdere advocaten tegelijkertijd offertes aanvraagt voor zijn no cure no pay-zaak of -dossier.

Dus grijp de zaak Korvinus aan!

Het onderzoek naar de vermeende afspraken tussen de klokkenluider Bos en zijn advocaat Korvinus zou voor de Orde van Advocaten een aanleiding moeten zijn om het verbod op het no cure no pay-principe nog eens goed tegen het licht te houden. Juist klokkenluiders en hun advocaten zouden direct baat kunnen hebben bij een opheffing van het verbod. Dan zouden veel meer klokkenluiders en andere, kwetsbare rechtzoekenden verzekerd zijn van professionele rechtsbijstand, als ze dat nodig blijken te hebben. Het is de hoogste tijd dat de advocatuur meegaat met de tijd en niet blijft steken in een bescherming van rechtzoekenden die daar zelf niet (meer) om vragen.