In de taxi

De taxichauffeur die ons naar het hotel rijdt, spreekt alleen Turks. Mijn zus zit met haar man op de achterbank en leunt – slap van de hitte – tegen hem aan. Dat de chauffeur, via het spiegeltje, aldoor naar mijn zus zit te kijken, maakt mijn zwager korzelig. Zeker als de auto een verkeerde richting inslaat. „Die kerel draait ons een poot uit en nou gaat hij nog telefoneren ook!”

„Laat toch”, zegt mijn zus mat. „Ik ben te moe.” Ze ziet bleek. Direct daarop stopt de auto bij een ziekenhuis waar twee broeders – gewaarschuwd door het telefoontje van onze chauffeur – met een brancard klaarstaan om mijn zus aan het infuus te leggen. Vochttekort.