Het Trumpisme is een opstand tegen de serieuze politiek

Kandidaten genoeg, dus waarom vallen kiezers in zo’n campagne juist voor de clowns, vraagt Ian Buruma zich af.

Donald Trump, alias The Donald, of ook weleens The Trumpster, maakt weinig kans om de volgende president van de VS te worden. Hij is een schreeuwlelijk, ogenschijnlijk een domoor, en draagt een dwaas kapsel van opgestoken blond haar. Zelfs fervente Republikeinen noemen hem een rodeoclown en bestempelen zijn campagne als een circus. In de Huffington Post valt nieuws over Trump onder de rubriek entertainment.

En toch ligt in opiniepeilingen Trump nu ver voor andere Republikeinen die zich kandidaat willen stellen voor het presidentschap. Zelfs in de dikwijls zotte Amerikaanse politiek is dit een uitzonderlijk fenomeen. Waarom is Trump zo populair? Zijn al zijn aanhangers ‘gekken’, zoals Senator John McCain ze – misschien onverstandig – noemt?

Volgens Trumps critici speelt Trump in op de onderbuikgevoelens van de meest rancuneuze kiezers, de mensen die vreemdelingen (en vooral Mexicanen) haten, eigenlijk iedereen die gestudeerd heeft wantrouwen en de verkiezing van een president met een zwarte vader nog altijd niet hebben verteerd. Trump, zegt de komiek Jon Stewart, is ‘de identiteit van Amerika’, of in elk geval de identiteit van een groot aantal blanke, meestal wat oudere en kleinstedelijke Amerikanen.

Dat is allemaal waar. Maar Trump maakt ook deel uit van een verschijnsel dat we in veel democratische landen zien. Rancuneuze kiezers bestaan overal, in de VS, in Europa, en ook in India, waar een populistische partij aan de macht is. Maar er is hier meer aan de hand dan alleen een afkeer van de klassieke politieke partijen. Populisten die beloven dat ze corrupte machtselites een lesje zullen leren, doen het nu overal goed. Maar veel mensen hebben bovendien een uitgesproken voorkeur voor politieke entertainers – zeg maar clowns.

Beppe Grillo, komiek van beroep, leidt nu de tweede grootste politieke partij van Italië. Hij wil het politieke establishment van zijn land onderuit halen en de Europese Unie een hak zetten door in Italië de euro af te schaffen. De Italianen hebben in zekere zin al drie keer een clown tot premier verkozen. Silvio Berlusconi, een vastgoedmiljardair die zijn loopbaan als zanger op een cruiseschip begon, was nog buitenissiger dan Trump en wist de massamedia meesterlijk te bespelen – ook letterlijk, want de meeste waren van hem. Maar zijn volksgunst, vooral onder mannen, kwam niet ondanks maar juist dankzij zijn buitensporige uitspraken, zijn kleurrijke seksleven en clownerieën.

In Mexico werd een televisiekomiek, Victor Trujillo, ook bekend als Brozo de Sinistere Clown, de invloedrijkste politieke commentator van het land. En Nederland had Pim Fortuyn en heeft nu zijn eigen sinistere clown in de vorm van Wilders.

De nieuwe populisten hebben een aantal dingen met elkaar gemeen. Miljardair of niet, ze delen een wrok tegen elites, of het nu gaat om de zogenaamde ‘culturele elite’, de ‘grachtengordel’, ‘Wall Street’, of wat dan ook; elk land heeft zijn eigen varianten. De rol van groot geld uit onroerend goed is opvallend in de nieuwe volksmennerij. Het is alsof veel populisten voelen dat zij door sociale elites met de nek worden aangekeken en hun misnoegen hebben omgezet in de politiek.

Wilders, Trump en soortgenoten spelen in op de angst voor mensen die van buiten komen. Trump noemt de Mexicanen in de VS ‘verkrachters’. Wilders wil de koran verbieden en moslims uit het land weren. Maar ook dat hoort bij de rancune tegen de elites, die de schuld krijgen voor de aanwezigheid van al die vreemden in ons midden. ‘Wij willen ons land weer terug’. Het is frappant hoe snel in de populistische retoriek antipathie tegen immigranten of de islam om kan slaan in vijandigheid jegens de EU, ook al een bastion van de elites. Dat hebben Wilders en Grillo dan weer gemeen.

Maar ik denk dat het succes van de politieke clowns een meer elementaire verklaring heeft. Veel mensen hebben genoeg van de professionele politieke klasse. Vroeger lagen de politieke verhoudingen gemakkelijker: linkse politici klommen op in vakbondskringen en hun conservatieve tegenhangers kwamen uit het zakenleven of de kerk. De sociale klassen hadden hun eigen belangen, vertegenwoordigd door partijen met duidelijk verschillende denkbeelden. Vandaag zien de mensen steeds minder verschillen tussen politici van de ene of de andere partij. Ze worden gezien als één pot nat, in de volksmond samengevat als Washington, Brussel, Den Haag.

Die perceptie is overdreven, vooral in de VS. Het land zou er echt anders uitzien onder een Republikeinse president, zeker met een Republikeinse meerderheid in de twee kamers van het Congres. Maar in veel landen is het waar dat de ideologische verschillen grotendeels zijn verdampt. Sociaal-democraten vormen niet alleen in Nederland coalitieregeringen met conservatieve liberalen. Het neoliberalisme viert hoogtij. De politiek lijkt steeds meer een gesloten systeem waarin leden van dezelfde politieke klasse om baantjes vechten in plaats van ideeën te uiten of grotere collectieve belangen te verdedigen.

Het Trumpisme of het Grillo-isme is een opstand tegen de professionele politiek. Trump wil het niet alleen opnemen tegen een Democratische presidentskandidaat maar vecht ook tegen het establishment van zijn eigen partij. Zijn aanhangers walgen van de compromissen die Republikeinen en Democraten in Washington sluiten. Samenwerken met de andere partij is voor hen geen noodzaak om een groot en divers land te besturen. Het is een vorm van corruptie. Dat verklaart de opkomst van de Tea Party-politici, die de regering liever lam leggen dan een compromis te sluiten met de Democraten. En daarom lopen mensen nu warm voor een ordinaire herrieschopper als Trump.

Dit is een gevaarlijke tendens. Niet dat met de nieuwe lichting demagogen het fascisme meteen weer voor de deur staat, maar zonder compromissen wordt een democratie onbestuurbaar. Dit is vooral in de VS heel goed zichtbaar. Trump zal geen president worden, maar de populistische schade is al aangericht.