Column

Eus en Janus

Ze hadden het kunnen bedenken met hun kleine flatje, de vorige eigenaren van Eus. Sterker nog: ze wisten het. Waarom zouden ze anders hun hond ‘Reus’ genoemd hebben toen hij nog maar een puppy was?

Bij ons had hij alle ruimte. En ook nog een speelkameraadje: onze dwergpincher. Maar die fantasieloze naam Reus! We probeerden alternatieven. Hij reageerde pas op ‘Eus’.

Gróót dat-ie was! Als hij ter begroeting zijn voorpoten op je schouders legde, torende hij boven je uit.

Anders dan Eus kon onze dwergpincher bogen op een indrukwekkende reeks voorvaderen. Hij stond te boek als rode gladharige Duitse dwergpincher, genaamd Clausco, zoon van Loeckie van Roodestein en Letty van de Lindelaan. We hielden het op Janus.

Het enige waarmee Janus zich met Eus kon meten was zijn buitenproportionele lid. Janus besprong alles wat bewoog. De staart van Eus kwam voor hem als een geschenk uit de hemel. Eus vond het best. Zíjn liefdesleven speelde zich af in zijn dromen. Af en toe hoorde je smachtende geluidjes.

De verwachting dat Janus een speelkameraadje voor Eus zou zijn bleek voorbarig. Hoewel Janus hem steeds weer uitdaagde door aan één stuk door tegen hem te keffen, zag Eus hem niet staan. Wel liet hij zich verleiden tot een terugkerend ritueel. Dan kwam Janus aanzetten met zijn knuffel, een smoezelige lap. Ze trokken allebei aan een kant. Janus liet de lap niet los, zelfs niet toen Eus ermee slingerde en Janus door de kamer zwierde.

Eus stal de show bij de dorpsjeugd. Niet alleen omdat hij razendsnel een groot gat in de tuin van de buren groef, maar vooral omdat hij een begenadigd keeper was. Onze jongens hadden hem een rugbyshirt aangetrokken. Met Eus op doel wonnen ze elk partijtje. Eus was ook scheidsrechter. Als de voetballers slaags raakten sprong hij ertussen.

Dorpsgenoot Sjors was helemaal idolaat van Eus. Hij nam hem mee naar de nachtclub, waar hij uitsmijter was, maar Eus mocht niet mee naar binnen, omdat hij geen lid was. Dat hebben ze hem toen maar gemaakt. Eus was de enige hond ter wereld met een lidmaatschapskaart van een nachtclub.

Jammer genoeg was Eus agressief tegen andere honden. Meer dan eens moest zijn bek opengewrikt worden om weer een slachtoffer te bevrijden. Een keeshond aan het eind van de straat die ook nog eens Kees heette, was hardleers. Hij vloog keer op keer op Eus af. Janus bofte dat hij als lid van ons gezin deel uitmaakte van Eus z’n roedel. Dachten we.

Op een dag verscheen er een loops teefje in de buurt. Zodra hij zijn kans schoon zag, glipte Janus langs mijn vrouw de voordeur uit. Ze ging achter hem aan, maar liet in haar haast de deur open staan. Eus smeerde ’m meteen.

We waren aan het overleggen wat ons te doen stond, toen er een buurjongen langs kwam fietsen. „Ze zeggen dat jullie hondje doodgebeten is!”, riep hij.

Eus keerde terug. Met schuwe oogopslag en zijn staart tussen zijn poten. Alles wees erop dat hij iets uitgespookt had. Maar we konden niet geloven dat hij Janus te grazen had genomen.

De eigenares van Kees de keeshond belde aan met tranen in haar ogen en bankbiljetten in haar hand. „Voor een nieuw hondje.” Dappere Janus was gesneuveld op het veld van eer bij een gevecht om een vrouwtje.

Een tijdje later zat ik met Eus aan mijn voeten op een caféterras. Nog voor ik mij schrap kon zetten trok hij mij over het tafeltje heen. Hij stoof op Kees de keeshond af.

We hebben nog jarenlang plezier van Eus gehad. Bij de dierenarts namen we afscheid. Hij keek ons verwijtend aan. Veertien jaar is hij geworden. Dat is oud voor een Deense dog zonder stamboom.