Economie groeit, maar kabinet moet toch voorzichtig blijven

De prognoses over de Nederlandse economie die het Centraal Planbureau (CPB) gisteren openbaarde – let hierbij vooral op het woord prognoses – getuigen van optimisme. Maar evenzeer kan worden vast gesteld dat het glas, of de fles, als halfvol maar net zo goed als halfleeg kan worden beschouwd.

De cijfers zijn van belang omdat het kabinet ermee gaat rekenen nu het vrijdag begint aan zijn besprekingen over de rijksbegroting voor 2016. Bij de verschijning daarvan zullen nieuwe voorspellingen van het CPB worden gepresenteerd in de ‘MEV’, de macro-economische verkenning. Maar die zullen niet ingrijpend afwijken van de tegenwoordig openbare augustuspublicatie van het CPB.

Vicepremier Asscher, tevens leider van het PvdA-smaldeel in het kabinet, nam op die besprekingen alvast een voorschot door te vertellen dat de nu voorspelde koopkrachtverhoudingen hem niet bevallen. Dat werkenden er grosso modo – al deze cijfers zijn grosso modo – er 2,4 procent op vooruit zouden gaan en gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden respectievelijk 1,1 en 0,3 procent aan koopkracht dreigen in te leveren, kan een sociaal-democraat moeilijk over zijn kant laten gaan. Zeker nu de voorspelde economische groei een niveau bereikt (2 procent dit jaar, 2,4 procent in 2016) dat we kennen uit de jaren van vóór de crisis. Vermoedelijk zal het niet moeilijk zijn coalitiepartner VVD van de noodzaak van enige koopkrachtreparatie te overtuigen. Temeer daar de politieke realiteit voor het kabinet is dat het in de Eerste Kamer niet op een meerderheid uitkomt zonder medewerking van oppositiepartijen.

Het goede nieuws uit de CPB-cijfers is ook de verdere daling van de zogeheten arbeidsinkomensquote. Dit duidt op florissante winstcijfers in het bedrijfsleven, veel meer dan politieke besluitvorming de aanjager van de economie.

Dat er niet louter reden voor optimisme is, komt doordat het voorziene begrotingstekort voor 2016 hoger uitkomt dan eerder dit jaar verwacht: 1,5 procent in plaats van 1,2 procent. Dat is gevolg van toe te juichen keuzes: minder aardgasbaten, lastenverlichting in 2016. Maar het in wezen relevantere structurele tekort – het tekort dat is gecorrigeerd voor conjuncturele ontwikkelingen – stijgt zelfs, van 0,8 naar 1,1 procent van het bbp. Nog altijd is het tekort daarmee lager dan het kabinet bij zijn aantreden voorzag. Het mag dit politieke succes incasseren, hoezeer het ook en vooral het gevolg is van externe omstandigheden, zoals de groei van de export. Maar Nederland zit nog ver van het gewenste begrotingsevenwicht. Er is dus alle reden om alle, soms gerechtvaardigde, claims voor extra uitgaven met terughoudendheid te benaderen.