De wodka wordt slechter, de politie corrupter

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

‘Hoe zou een eenzame boom zich voelen?” vraagt mijn reisgenoot Qader, wijzend op een boom in de steppe.

Tot Kabul zullen Qader en ik met elkaar alleen zijn, tenzij we onderweg gezelschap vinden. De twee andere reisgenoten, mijn petekind en zijn moeder, hebben we in Volgograd op de trein naar Moskou gezet. Ik zei nog: „Jullie laten me achter met een Afghaan.”

Het mocht niet baten.

Het station in Rusland is anders dan elders. Mensen staan op het perron om familieleden en geliefden uit te zwaaien. Naast mij huilde een vrouw, ze had een hoed op en een slechte huid. De trein symboliseert hier nog afscheid.

Ruim zes uur later zitten Qader en ik in een leeg restaurant in Astrakhan waar een serveerster met treurige ogen ons steur brengt.

„Waarom maak ik deze reis?” vraagt Qader. „Ik leg de weg terug af die ik als vluchteling ben gekomen.”

Deze vraag durfde ik zelf niet te stellen.

„Als je eenmaal vluchteling bent geweest, dan bevind je je in een permanent rouwproces. Eenentwintig verloren jaren. Ik blijf een vreemdeling in Nederland. Nu keer ik terug, als Nijmegenaar, met jou, een beroemd schrijver. Om te laten zien dat het niet voor niets was.”

Aha, Qader is de poes, ik ben het vogeltje, maar is hij niet ook mijn vogeltje?

„Je hebt een vrouw, kinderen, je hebt een Nederlands paspoort, je hebt een leven opgebouwd”, zeg ik.

„Wat is er met mijn dromen gebeurd?” vraagt Qader.

De eenzame boom wil niet uit mijn gedachten. Eén ding weet ik zeker: als ik ergens geen zin in heb, is het een rouwproces. Dat is ook het doel van de permanente beweging; je ziet het rouwproces naderen en je denkt, wegwezen.

We lopen door de lege straten van Astrakhan. „Tot en met Tadzjikistan is er wodka”, zegt Qader. „Maar de kwaliteit van de wodka zal slechter worden. De vrouwen zullen bedekter worden. Wij zullen moeër worden. En de politie zal corrupter worden.”

„Ik ben voorbereid”, antwoord ik.

„Ik zal je een mop vertellen”, zegt Qader.

Eigenlijk vertelt hij de hele dag moppen. Ik heb gezegd: „Misschien kunnen we een moppentijd afspreken? Bijvoorbeeld tussen 5 en 7 in de middag? En dan de rest van de dag geen moppen.”

Het mocht weer niet baten.

Ik begin bijna te geloven dat de vluchteling op aarde is om moppen te vertellen.

(Wordt vervolgd)