De Rus schoont schoolboek op

In Sverdlovsk, een industriële provincie in de Oeral, kunnen de schoolkinderen in het nieuwe schooljaar niet meer bij de boeken Stalingrad en Berlin – The Downfall 1945 van Antony Beevor. De boeken moeten uit de schoolbibliotheken worden verwijderd, heeft het provinciebestuur bevolen.

Stalingrad, vertaald in het Russisch en 25 andere talen, en Berlin zijn geen werkjes waarin Hitler wordt vergoelijkt. Het is Beevors aandacht voor het gedrag van het Sovjetleger in de hoofdstad van het Derde Rijk – met systematische verkrachting van vrouwen – die in Rusland verkeerd valt. Nu de zeventigste verjaardag van de ‘Overwinning’ op het fascisme wordt gevierd, is het „noodzakelijk schoollectuur onder speciaal toezicht te houden”, aldus het gezag in provinciehoofdstad Jekaterinenburg.

De oekaze om de boekenkasten op te schonen, is bedoeld om de leiders in Moskou te gerieven. Vanuit het Kremlin wordt al langer campagne gevoerd voor één canon. Het buitenland zou bezig zijn om het Russische bewustzijn te ondermijnen met „geschiedsvervalsing”. „Geschiedenis is politiek geprojecteerd op het verleden”, zei de bolsjewistische historicus Pokrovski in 1928. President Poetin handelt er al jaren naar. In Oekraïne variëren ze ook op Pokrovski, door een importverbod op 38 boeken van Kremlin-apologeten.

De vrijere beoefening van het vak, die begon onder Gorbatsjov en tijdens Jeltsin haar climax bereikte, krijgt allengs minder ruimte. Het antistalinistische genootschap Memorial staat permanent onder druk. Van een voormalig strafkamp bij Perm werd de subsidie van Goelagmuseum vorig jaar ingetrokken, waarop het sloot.

Particuliere initiatieven zijn niet de grootste kopzorg voor het Kremlin. Hoofdzaak is de doorwerking in het onderwijs. De vakdidactiek wordt allengs meer aangelijnd. Het begon in 2007 met een lesboek voor leraren waarin Stalin werd gemunt als een „effectieve manager”. In readers voor docenten wordt het ‘duivelspact’ van Hitler en Stalin (de deling van Oost-Europa in 1939) gebillijkt en wordt de val van de Sovjet-Unie gekwalificeerd als een grotere ramp dan de Tweede Wereldoorlog. Het volk moet worden samen gesmeed met één ‘historisch-culturele standaard’. Schoolkinderen zullen dan met één canon worden onderwezen en geen lastige vragen meer stellen over het verleden van hun voorouders. Het Kremlin ziet dat als „historische rechtvaardigheid”. Kiev strijdt tegen „staatsvijandigheid”.

Op korte termijn klopt dat. Lastige vragen over het verleden leiden tot lastige maatschappelijke verhoudingen. Op de lange termijn werkt een afgedwongen canon averechts. In maatschappijen die unisono over hun geschiedenis moeten nadenken, regeert uiteindelijk de angst voor de waarheid.