Wilco heeft het wéér geflikt. Hoe?

Tot donderdag kun je soort van gratis Star Wars, het nieuwe album van Wilco, downloaden. En dat is de moeite waard.

Jeff Tweedy, is de zanger van de band Wilco (Chicago, 2011). Foto Peter Hoffman

Het mooiste cadeau van deze zomervakantie krijg je van Wilco. Op wilcoworld.net kun je namelijk hun nieuwe album Star Wars downloaden. Kosten: één e-mailadres. Wie het nog niet heeft gedaan moet opschieten. Het kan nog tot donderdag, en het is de moeite waard.

De band uit Chicago heeft zich in ruim twintig jaar comfortabel genesteld in een uithoek van de gitaarrock waarvoor termen als alternatieve country of Americana allang niet meer volstaan.

Het recept voor het perfecte Wilco-liedje heeft een aantal vaste ingrediënten. Eerst is er een zachte, wiegende basis van akoestische gitaren en/of piano. Als dat melodische mengsel wordt aangevuld met elektrisch geweld begint het langzaam te rafelen. Vervolgens vliegt alles uit de bocht: snaren beginnen te scheuren in gierende piepknars-solo’s, de drums ontploffen en in de verte zoemen niet nader te identificeren samples en sonische experimenten. Geen paniek: uiteindelijk landt de weggeslingerde luisteraar in een kalme outro waarin alle rust is wedergekeerd – nog onwetend van het feit dat het nummer voorgoed in diens brein is genesteld.

Zo gaat het al negen albums lang, en toch blijft het telkens weer een verrassing. Hoe dat kan? Het heeft te maken met het meesterbrein van zanger-gitarist Jeff Tweedy en de manier waarop hij zijn wondercomposities op de plaat weet te krijgen: schijnbaar achteloos en volkomen ongedwongen.

Ook op Star Wars spat de nonchalance er weer vanaf. En waar Wilco vroeger soms weleens een tikkie te braaf bleef, is daar nu weinig van te merken. Tweedy heeft het eindeloos polijsten overgeslagen. Niet schrikken van de instrumentale opener ‘EKG’ – dat is alleen maar een atonaal plaagstootje om je wakker te laten schrikken. ‘More…’ is een heerlijke inhaker, die ontspoort in een zandstorm van woeste ruis. Zo stuiter je genoeglijk van de hak op de tak: van hippiehymne (‘Taste the seeling’) tot zompig voortkabbelende trip (‘You satellite’). ‘Pickled ginger’ begint als rockabilly met schoenendozendrums, maar eindigt als tegendraadse noise. ‘Where do I begin’ is juist weer een wijze les in less is more: één stem en twee gitaren, niks meer aan doen.

Het moet even indalen, maar uiteindelijk weet je: Wilco heeft het weer geflikt. Want ook dat hoort bij het mysterie dat ieder album omgeeft. Na de eerste keer draaien denk je: mwaoh. En na de tiende keer: toch weer net zo goed als het vorige.