Column

Wat kunnen we leren van bloei Singapore?

Het was feest in Singapore, de afgelopen dagen. De stadsstaat vierde 50 jaar onafhankelijkheid en economisch succes. Van 500 dollar bruto nationaal product per inwoner naar 55.000 dollar. Dat succes is ontstaan in een combinatie van autocratisch politiek leiderschap, orde en planning, spaarzaamheid én liberaal economisch beleid.

Een van de grondleggers van de welvaart was een Nederlander: Albert Winsemius (1910-1996), de vader van de latere minister en McKinsey-adviseur Pieter Winsemius.

Winsemius senior kwam in 1960 naar Singapore als leider van een economische delegatie van de Verenigde Naties. Hij zou 23 jaar blijven, niet permanent ter plekke, maar wel voortdurend beschikbaar als dé economisch adviseur. Hij had toen in Nederland al een indrukwekkende rol achter de rug als topambtenaar op het ministerie van Economische Zaken die vorm gaf aan de naoorlogse industrialisatie. Zijn minister op dat departement was Jan van den Brink. Winsemius zelf had de kersverse econoom Van den Brink jaren eerder nog naar Den Haag gehaald, memoreerde Parool-redacteur Kees Tamboer in 1992 in een artikelenreeks over de industrialisatie. Na zijn vertrek uit de politiek leidde Van den Brink de Amro Bank.

Winsemius greep als economisch adviseur van Singapore terug op een aantal beproefde concepten uit de Nederlandse industrialisatie. Hij moedigde oliemaatschappijen als Shell en Esso aan om raffinaderijen te bouwen, zoals ze dat na de oorlog rondom Rotterdam deden. Singapore modelleerde zijn haven naar die van Rotterdam en zette alles op het containervervoer.

Hij lobbyde bij Nederlandse bedrijven als Philips om in Singapore productiecentra neer te zetten, schreef Tamboer in een profiel van Winsemius in The Straits Times, dat wordt geciteerd op de officiële website over de geschiedenis van Singapore.

In Singapore is Winsemius een ster. Een leerstoel aan een universiteit is naar hem vernoemd, evenals een straat. Verschillende Friese steden hebben ook een Winsemiusstraat, maar die is vernoemd naar Pier, een lokale historicus.

Zeker twee aspecten van het succes van Singapore zijn voor Nederland als relatief kleine open, maar zeer vermogende economie ook van belang. Het eerste is Winsemius’ credo, dat een klein land een neutrale industriepolitiek moet voeren. Níet je lokale industrie tegen (potentiële) buitenlandse concurrenten beschermen met wetten of blokkades, maar een opendeurpolitiek voeren. Hij bepleitte bijvoorbeeld een luchthaven voor vliegende kolossen, maar zonder hun ‘eigen’ Singapore Airlines voor te trekken. Nederland doet nu precies het tegenovergestelde. Het probeert de groei van staatsluchtvaartmaatschappijen uit het Midden-Oosten op Schiphol te ontmoedigen via het vergunningenbeleid.

Het tweede aspect is spaarzaamheid. Laat je verdiende kapitaal renderen, geef het niet allemaal uit. Singapore bezit en beheert diverse fondsen, zoals een nationaal pensioenfonds, die hun geld beleggen ten behoeve van de burgers en hun kinderen. Samen hebben zij vele honderden miljarden euro te beleggen.

Temasek uit Singapore is een grote investeerder in verzekeraar NN. GIC uit Singapore is een belegger in de Rotterdamse frisdrankfabrikant Refresco. Beide fungeren als een staatsinvesteringsfonds à la het Noorse oliefonds, dat de opbrengst van de olie-inkomsten op lange termijn belegt.

Daarmee heeft Nederland decennia geleden misgetast en zich nooit gecorrigeerd. Er is geen ‘gasfonds’ dat de opbrengst van Slochteren en de andere velden op lange termijn heeft belegd. Nederland gaf de opbrengst liever uit aan leuke dingen voor de mensen.