‘Stalin, Roosevelt en Churchill waren eerlijke mensen’

Arnon Grunberg rijdt deze zomer met voormalig asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek. Grunberg doet er dagelijks verslag van.

Een gigantische vrouw met een zwaard in haar hand, Moeder Rusland symboliserend, herinnert op een heuvel niet ver van het centrum van Volgograd aan de slag om Stalingrad. Alleen al de grootte van dit monument en haar wijd geopende mond, die zowel verrukking als woede zou kunnen betekenen, stralen een absurde triomfantelijkheid uit.

Eigenlijk herinnert vrijwel alles in deze stad, althans in het centrum en omstreken, aan die slag die van de zomer van 1942 tot de winter van 1943 duurde. Naar schatting een half miljoen Sovjetsoldaten en driehonderdduizend Duitse militairen kwamen om.

Op deze zomerdag is het druk op de heuvel, het monument is een geliefde attractie. Vlak bij Moeder Rusland bevindt zich onder de grond het eeuwige vuur voor de gevallen soldaten. Zowel beneden bij het vuur als bij de ingang staan soldaten, die wij eerst aanzien voor wassen beelden, op wacht.

Na het wisselen van de wacht, een ritueel dat twintig minuten duurt, zet een militair die deze operatie leidt de petten van de soldaten die op wacht gaan staan goed. Daarna veegt hij met een doekje dat in hun petten verborgen zit het zweet van hun gezichten. Soms is sadisme tederheid.

Het ritueel, deze herdenkingsplaats doet beseffen hoe levendig het militarisme hier is; het moederland blijft roepen. Ook een museum dat gewijd is aan de slag wordt druk bezocht door vrijwel uitsluitend Russische toeristen. Stalin wordt geëerd met een buste en een groot tapijt.

Als we langs de Wolga lopen komen we in gesprek met een dame. Ze woonde in Donetsk, Oekraïne, maar is gevlucht. „Ik heb heimwee naar de Sovjet-Unie”, zegt ze. „Stalin, Roosevelt en Churchill waren eerlijke mensen die de wereld hebben gered, maar Obama geeft een hand aan de fascisten.” Over Poetin rept ze niet.

In een cafetaria dat reisgenoot Qader herinnert aan zijn studententijd in de Sovjet-Unie eten we pelmeni, Russiche ravioli, en koude soep.

„Wil je geen pelmeni?” vraagt Qader. „Er zit varkensvlees in”, antwoord ik. „Jij mag een afvallige moslim zijn, ik heb mijn grenzen.”

„En die soep dan?” vraagt Qader, „denk je dat daar geen varkensvlees in zat? Of mogen Joden wel koud varkensvlees eten?”

„Ik proefde het niet. Als je het niet proeft is het toegestaan.”

Qader begint een Russisch lied te zingen. Tussen het zingen door zegt hij: „Vanavond gaan we wodka drinken.” Misschien is alcoholisme gewoon heimwee.

Wordt vervolgd