Het verloren verandagevoel

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Zomer in Amerika is de koudste periode van het jaar. Vooral vrouwen blijken te lijden onder de extreem lage temperaturen. Voor mij is dit een periode van onverwacht toeslaand kippenvel en klappertanden. Ik heb altijd een extra vest binnen handbereik. Vooral bioscopen, auto’s en kantoren worden door deze zomerse vriestemperaturen getroffen.

De schuldige voor dit koudefront? De absurd laag afgestelde airconditioning. Vooral mannen houden van flink gekoelde ruimtes, schrijft The New York Times. Die hebben een andere stofwisseling dan vrouwen. Terwijl ik binnenshuis ril in mijn sweater, lopen zij in een T-shirt en korte broek. Bekend is dat president Richard Nixon de airco nog een standje kouder zette, omdat hij ook in de zomer alle haarden in het Witte Huis liet branden.

De mannelijke tirannie van de airco verpest niet alleen het klimaat, het draait ook het leven binnenstebuiten. „Deur dicht!”, roepen mijn huisgenoten in koor, als ik deze dagen even naar buiten loop. Stel je voor dat de zwoele zomerlucht ons kunstmatig gekoelde huis zou verstoren. Wat ooit gewoon was op een warme dag – lekker de ramen en deuren tegen elkaar openzetten – wordt nu een doodzonde. De meeste ramen kunnen niet eens meer open. Zo verdween het simpele geluk van een verfrissend briesje op de bezwete huid.

De airconditioning heeft de Amerikanen ook beroofd van een uniek genot op de zomeravond: buiten zitten op de veranda, de befaamde porch culture. Vrijwel ieder Amerikaans huis had vroeger zo’n veranda. Het is een cultureel instituut dat teruggaat naar de oorspronkelijke Indianenhutten in het Caraïbisch gebied.

Op de veranda was het ’s zomers, wanneer het afkoelde, heerlijk toeven. Rond een uur of zes, na het avondeten, verplaatste het gezin zich daarheen. Grootouders nestelden zich op de schommelstoel, ouders spreidden hun quilts uit en installeerden hun kinderen daarop. Vaders besproeiden het gras. Buren kwamen langs voor een praatje. Op de veranda kwam men tot rust. Dat alles bij het getjirp van krekels, het gekwaak van een enkele pad en verlicht door een sterrenhemel van vuurvliegjes.

Tegenwoordig blijven mensen ’s zomers liever binnen. Ze koesteren zich niet meer aan elkaars gezelschap, maar wentelen zich in de onpersoonlijke koelte van airco en kabeltelevisie, waar talking heads de wereld voor hen doornemen.

Er zijn heldhaftige pogingen het tij te keren. Zo werd in de jaren tachtig in Florida het kunstmatige stadje Seaside gebouwd, bekend van de Jim Carrey-film The Truman Show, waar veranda’s verplicht werden gesteld. En misschien helpen de zorgen over de opwarming van de aarde om deze natuurlijke ontmoetingsplek tussen binnen en buiten weer terug te brengen.

Niemand heeft het verandagevoel zo treffend beschreven als James Agee in zijn prozagedicht Knoxville: Summer of 1915. Het is zijn herinnering als zesjarig jongetje aan de eindeloze zomeravonden op de veranda van zijn ouderlijk huis.

„Ze zeggen niet veel en het gesprek is stil, over niets bijzonders, over helemaal niets bijzonders, over helemaal niets. De sterren zijn groot en levendig, ze lijken lieflijk te lachen, en ze lijken heel dichtbij. Alle mensen zijn groter dan ik ben, stil, met zachte stemmen, zonder betekenis, als de stemmen van slapende vogels. […] Door een toeval zijn we hier, samen op deze aarde; en wie kan ooit verhaal doen van het verdriet van op aarde zijn, liggend op quilts, op het gras, op een zomeravond, tussen de geluiden van de nacht.”