Geschiedschrijver van het Sovjetrijk van de Leugen

Robert Conquest,1917-2015

Historicus van de terreur

Tegen de stroom der tijd in onthulde een ex-communist de dodenakkers van Stalin.

AP Photo / Evan Vucci

Uitgerekend in het jeugdige ‘revolutiejaar’ 1968 werd het debat over het wezen van Jozef Stalin beslecht. In The Great Terror stelde de historicus Robert Conquest dat het stalinisme geen aberratie van het communisme was. „De zuivering [de terreur en showprocessen in de jaren dertig, hs] was geen plotse en totale verrassing. Ze had haar wortels in het Sovjetverleden”, schreef Conquest in 1968. Stalin was verantwoordelijk voor de dood van twintig miljoen mensen, ongeveer evenveel als het aantal Sovjetburgers dat sneuvelde in de oorlog tegen nazi-Duitsland.

De studenten, die dat jaar ageerden tegen het autoritaire ‘establishment’, negeerden de conclusie van de Brits-Amerikaanse historicus die vorige week op 98-jarige leeftijd overleed. Dat er een rechte lijn zou lopen tussen Lenin en Stalin kwam hen niet goed uit. Later, in 1986, brak in Duitsland de Historikerstreit uit. Dit debat begon met de vraag of de Holocaust ‘uniek’ was dan wel een reactie op de Goelag en mondde uit in een debat over de parallellen tussen Stalin en Hitler. De discussie is na twintig jaar beslecht. Die overeenkomsten zijn er.

Conquest leverde indirect een bijdrage. In 1986 verscheen The Harvest of Sorrow. In deze studie ontleedde hij de vernietiging van de vrije boerenstand in de Sovjet-Unie, de ‘de-koelakisatie’ waartoe Stalin in 1928 besloot. Circa zeven miljoen mensen stierven door de hongersnood die in 1932/33 volgde. Conquest kwam in Harvest of Sorrow tot de volgende slotsom van het stalinisme: 11 miljoen mensen stierven tussen 1930 en 1937 en 3,5 miljoen crepeerden in de Goelag.

Omdat Conquest geen toegang had tot sovjetarchieven – ook partijleider Chroesjtsjov, die zijn voorganger in 1956 had ontmaskerd, hield die dicht – baseerde hij zijn ramingen grotendeels op demografische extrapolaties. Toen archiefstudie wel mogelijk werd, konden de getallen preciezer en ook wat lager worden vastgesteld.

Hoewel Conquest zijn conclusies staafde met cijfers, ging het hem om meer dan statistiek. Hij had ook een intellectueel en persoonlijk motief. Onder invloed van ‘revisionisten’ in de VS, die de Koude Oorlog primair aan het Westen weten, werden „excessen van totalitaire regimes verbloemd”, schreef hij in 1989 in zijn essaybundel Tyrants and Typewriters.

Conquest was een blauwe maandag communist geweest. Terwijl de executiepelotons van de geheime politie NKVD in de Sovjet-Unie overuren draaiden, werd hij als student in 1937 lid van de Britse partij. Hij was een gelovige. Na de oorlog zag hij als liaisonofficier voor de Britten hoe het Rode Leger in Bulgarije voormalig Kominternsecretaris Georgi Dimitrov aan de macht bracht. De desillusie was zo groot dat hij, terug in Londen, de Sovjetpropaganda ging bestrijden. Eerst als ambtenaar voor een speciaal bureau, daarna als academicus.

Zijn verdere leven wijdde hij aan het stalinisme. Met zijn oeuvre onthulde Conquest niet alleen de dodenakkers van Stalin maar beïnvloedde hij ook regeringsbeleid in het Westen. De Britse premier Thatcher luisterde naar hem. Volgens Conquest moest het Westen militair pal staan tegen het „rijk van de leugen”, zoals Boris Pasternak het Sovjetsysteem in zijn roman Dokter Zjivago had genoemd.