Column

De dood en frikandellen

‘Waarom schrijven jullie niet eens een bekeringsverhaal?”, vraag ik aan de klas. „God bestaat niet”, zegt Jeroen. „Mijn hoofdpersoon denkt dat hij Jezus is, maar dat komt doordat hij een psychose heeft.”

„En Scrooge dan?”, vraag ik, „die wordt bezocht door drie geesten en de volgende dag is hij een ander mens. Heeft die dan ook een psychose?”

„Je bedoelt”, zegt Gert, „dat het niet uitmaakt of de oorzaak fysiologisch of metafysisch is?”

Met dat soort termen slaat hij ons keer op keer de touwen in en als hij gaat uitleggen wat hij bedoelt, zijn we zo een kwartier verder en weet niemand nog waar we het over hadden.

„Jullie hebben het altijd over de geloofwaardigheid van het karakter”, zeg ik. „En dan komen jullie met termen uit de psychologie aanzetten. Maar hoe zat dat dan met die geloofwaardigheid vóór de psychologie werd uitgevonden?”

„Toen hadden we geesten”, zegt Marlies. „Of een engel, zoals in de Bijbel. Vroeger geloofden we daaraan, maar nu weten we beter.”

„Piet is vierenzestig”, zeg ik, „voor het eerst in zijn leven gaat hij naar de hoeren. Waarom?”

De oplossingen buitelen over elkaar heen: de moeder van Piet is doodgegaan. Of hij gaat zelf dood. Of zijn vrouw is bij hem weggegaan.

„Zijn hele leven is Piet vegetariër geweest”, zeg ik. „Maar op dinsdag drie november neemt hij een frikandel. Waarom doet hij dat?”

Dit kost iets meer denktijd. Toch weer een dode moeder? Dode vader erbij?

„Toen Piet de Vries hoorde dat zijn moeder was overleden trok hij een frikandel uit de muur, hoewel hij dertig jaar lang een overtuigd vegetariër was geweest”, zeg ik.

Nou, dat zouden ze best een goed begin van een verhaal vinden!

„Dus jullie zouden niet denken: wat heeft die moeder nou met die frikandel te maken?”, vraag ik.

Nee hoor. Er gebeurt iets ergs en dan doe je iets raars. Heel logisch en begrijpelijk.

„Voor het eerst in zijn leven at Piet een frikandel. Toen veegde hij zijn mond af, fietste naar het klooster en bekeerde zich tot het christendom.”

Dat vinden ze dan weer niet geloofwaardig.

„Andersom kan wel”, zegt Jeroen, „eerst bekeren en dan een frikandel. Behalve natuurlijk als je je tot de islam bekeert. Waarom moeten we trouwens zo nodig een bekeringsverhaal schrijven? Ben je zelf ooit bekeerd?”

Ik schud al van nee maar dan schiet me iets te binnen. „Toen ik achtentwintig was, zat ik in een cafeetje. Het regende en ik had buikpijn. Toch bestelde ik nog een tweede kop koffie. Dit is het, dacht ik, het regent, ik heb buikpijn en ik bestel toch nog een tweede kop koffie. En ik ga nooit meer naar een psychiater.

Het was een groots moment. En dat was een week nadat mijn broer van 25 ineens was doodgegaan.”

Ja, de dood blijven we nodig hebben.