Column

De diacones was dol op schooiers

De tuin bij God van de Japanner Taturo Atzu, op het dak van de Amsterdamse Oude Kerk, laat ik voor wat die is. Ik loop door naar de Sint-Sebastiaanskapel aan de zuidzijde. Wat een adembenemende rust, na de hasj- en sekswalmen van de Wallen, het gewemel van toeristen langs ramen en terrassen. Hier: grafzerken, witgepleisterde wanden, een gewelf met middeleeuwse schilderingen. Na de Beeldenstorm werden ze bedekt met zwarte verf, maar sinds 1956 zijn ze weer zichtbaar.

Die verf zat er dus nog toen dominee De Vrijer in het najaar van 1930 besloot de Sint-Sebastiaanskapel geschikt te maken voor een wekelijkse ontvangst van de hongerigen en havelozen uit de sloppen en stegen rondom de Oude Kerk. De vloer werd bedekt met matten en hij stuurde zijn vrouw eropuit om kopjes te kopen. Zijn diacones, „dol op schooiers”, ging met uitnodigingen langs bij slaaphuizen en hoerenkasten.

De wind gierde over het Oudekerksplein toen de dominee op de eerste dinsdagavond van oktober de deuren openzette en de mensen naar binnen lokte met koffie van „kostelijk koffie-extract”, aangelengd met kokende melk. Een paar „zeer woelige jongens”, kleine majesteiten volgens de in die tijd vooraanstaande pedagoog professor Gunning, probeerden de boel te versjteren, maar onder het liefdevolle oog van de domineesvrouw kalmeerden ze en vroegen ze beleefd om nog een koppie koffie. „Lekker, juf, lekker voedzaam.”

Na verloop van tijd verzamelden zich soms wel duizend mannen en vrouwen in de Sint-Sebastiaanskapel. Ze zongen Veilig in Jezus’ armen terwijl de dominee op een krukje stond te dirigeren. De kleine kinderen zaten bij de domineesvrouw.

Op een avond riep een jongetje door de preek heen dat zijn vader er vandoor was, net goed. „En nou bin ik bij me opoe.” Vervolgens viel hij tegen de domineesvrouw aan in slaap. Opoe was hoerenmadam, hij mocht nooit voor twaalf uur ’s nachts thuiskomen.

Ik lees het in Dertig jaren domineese, herinneringen van Marie Jeanne de Vrijer-Struijs, voor het eerst verschenen in 1938. Een bestseller. Dominee De Vrijer en zijn vrouw trouwden in 1906 en na hun huwelijksreis – Nassau, Duitsland – reden ze met een koetsje van station Driebergen naar Odijk, waar hij zijn eerste beroep had aanvaard. Elektriciteit en stromend water waren daar niet, waar de domineese zich over verbaasde. De adel maakte er de dienst uit en er woonde een heks in het dorp, Koosje.

Nooit kwam Koosje haar huisje meer uit – te vaak was ze gepest – tot ze op een dag met haar hoofd op de kachel was gevallen en hevig bloedend om de dominee riep. Die liet de dokter uit Bunnik komen, wat de dorpelingen maar raar vonden. Snijwonden dienden te worden behandeld met toverspreuken, dat wist iedereen. Een man uit Driebergen kon wratten wegkijken, de smid van Rijsenburg liet op afstand koorts verdwijnen. Dikke knie? Wassen met pekelwater van ingemaakte snijbonen. Liesbreuk? Inwrijven met een ei dat op Witte Donderdag was gelegd. Ruim een eeuw geleden nog maar.

Koosje werd uit haar huisje gedragen, de luizen en vlooien sprongen haar om de oren. Na haar dood vond de domineese 600 gulden op haar zolder. Die gingen in ’s Lands Schatkist.