Dat kind móét en zál slagen

Bijles, huiswerkbegeleiding, IQ-tests en psychische begeleiding. Ouders geven steeds meer uit om hun kind een zo hoog mogelijk onderwijstype te laten volgen. „Vwo is de norm.”

Foto Arjen Born

Voor de deur bij de huiswerkbegeleider kwamen ze altijd wel klasgenootjes tegen. Dat was niet zo gek. Van de dertig kinderen in de klas van zijn zoon (groep 8) gingen er namelijk twintig naar bijles.

Waarom? Omdat vwo de norm is, vertelt een 47-jarige vader uit Amsterdam Oud-Zuid. Zijn zoon ging in de buurt naar school, hij zat tot voor kort in groep acht en gaat straks naar de brugklas. Ouders willen het beste voor hun kind, vertelt de vader. Dus: hippe kleren, een iPhone en op luxe vakanties naar Ibiza. Maar ook een goede schoolcarrière.

En om dat te bereiken, boren ouders de ‘bijspijkermarkt’ aan. Die tal van mogelijkheden biedt: huiswerkbegeleiding, bijles, remedial teaching – zelfs al voor kinderen vanaf groep drie van de basisschool. Er zijn Cito-cursussen, brugklastrainingen, dyslexie- en dyscalculielessen. Voor ‘wat extra ondersteuning’ zijn er ook kindercoaches, orthopedagogen en de psychologen.

Het aanbod is breed. En de afnemers komen niet alleen uit Oud-Zuid. De bedrijven en bureaus die kinderen naar een hoger niveau moeten helpen, zijn er door heel het land. Hoeveel het er precies zijn, wordt niet bijgehouden.

Uit cijfers van het CBS blijkt dat ouders steeds meer geld uitgeven aan bijles, huiswerkbegeleiding en Cito- en examentraining. Twintig jaar geleden besteedden ouders 26 miljoen euro aan bijspijkerlessen. Vier jaar geleden bleek dit bedrag te zijn opgelopen tot circa 149 miljoen – recentere cijfers heeft het CBS niet. Een snel groeiende groep is die van ouders met kinderen in het basisonderwijs. Zij gaven in 1995 niets uit, in 2011 al zo’n 13 miljoen. Hoe groot de ‘zwarte’ bijlesmarkt is, valt moeilijk te schatten.

‘Disharmonisch intelligentieprofiel’

Huiswerkbegeleiding en bijles kan al gauw oplopen tot een paar honderd euro per maand. Voor veel ouders in onze buurt is dat wel te betalen, zegt de vader uit Oud-Zuid. Sterker nog: deze mensen geven ruim 1.000 euro uit aan een rapport over hun kind, opgesteld door gespecialiseerde onderzoek- en adviesbureaus. Die testen de cognitieve vaardigheden van een kind en kijken naar de psychische gesteldheid.

Is er een leerstoornis? Een spellingstoornis? Een taalstoornis? Is er sprake van rijpingsproblematiek? Of hoogbegaafdheid? Zijn er sociaal-emotionele problemen? Of kunnen we spreken van een ‘disharmonisch intelligentieprofiel’?

Na het onderzoek volgt er een rapportage met daarin een behandelingsplan. En wordt er gekeken hoe het kind naar een hoger niveau gebracht kan worden. Met verwijzingen naar specialisten.

En helpt het? Bij de zoon van de vader uit Oud-Zuid niet. Ook hij ging door de mangel van een gespecialiseerd bureau. Over de uitkomst wil de vader „liever niets kwijt”. Maar hij zegt wel: „Wij hebben ons ook laten meeslepen door de schoolkeuzestress. Verkeerd: de druk zorgt er niet voor dat een kind beter gaat presteren.”

De prestatiezucht van ouders is misschien goed bedoeld maar pakt voor het kind vaak verkeerd uit, zegt pedagoog Willem de Jong. Hij is bekend van het boek Het verwende kind syndroom en specialist op het gebied van kindergedrag in het onderwijs. „De druk kan stress opleveren. Kinderen kunnen angstig en depressief worden. Hun zelfbeeld pep je er niet mee op.”

De vader uit Amsterdam Oud-Zuid vertelt dat de mensen uit de buurt „het een belediging voor het eigen intellect vinden, als je niet studeert”. Ouders verwachten dat hun kind op hetzelfde niveau uitkomt als zij, zo niet hoger. Als dat niet lukt, leidt tot dat tot frustratie, weet hij.

Volgens De Jong schatten ouders hun kroost veel te hoog in. Bovendien projecteren ze hun eigen wensen en dromen op hun zoon of dochter. Maar of die daar gelukkig van wordt? Zijn tip: kijk naar je kind, wat past nu écht? Dat is namelijk niet altijd het hoogste schoolniveau.

De Jong praat uit ervaring. Bij zijn oudste zoon zat hij „ook op het verkeerde spoor”. De pedagoog vertelt dat zijn kind best vwo kon, maar de jongen vond al die theorie niet leuk. Hij wilde iets met zijn handen doen. „Wij pushten: maak eerst die middelbare school af. Maar hij was niet gelukkig. Toen zeiden mijn vrouw en ik tegen elkaar: waar zijn we mee bezig? We hebben hem naar het mbo laten gaan. Nu heeft hij een eigen timmerbedrijf en is hij heel gelukkig.”

Ouders kunnen niet meer opvoeden

Het valt De Jong ook op dat ouders alles onder controle willen hebben en het toekomstige leven van hun kind regisseren en vormen. Dat komt volgens hem door onzekerheid en angst. „Het lijkt wel of ouders steeds minder goed weten hoe ze hun kinderen moeten grootbrengen.”

Dat heeft wellicht met de kleine gezinnen van tegenwoordig te maken; vroeger voedden de oudere kinderen de jongere op – en daarmee hadden ze een spoedcursus opvoeden. Bovendien was er vroeger meer uniformiteit in wat hoorde en wat niet. „Ouders van nu klampen zich vast aan meetbare zaken; toetsen, examens en boekjes waarin staat wat kinderen op welke leeftijd al moeten kunnen.”

„Als ik aan ouders vraag naar het talent van hun kind, dan kijken ze me vaak glazig aan. Ze grijpen vervolgens naar cijferlijsten van school”, vertelt Yvonne van Sark. Ze is mede-eigenaar van YoungWorks, een bedrijf voor jongerencommunicatie, en publiceerde vorig jaar het boek Motivatie binnenstebuiten – over hoe je jongeren kunt motiveren om iets te bereiken. Talent kan volgens haar ook in zoveel andere dingen zitten; sociaal zijn, communicatief vaardig, creatief, goed in organiseren. „Allemaal vaardigheden die heel belangrijk zijn om je te ontplooien.”

Haar advies luidt: verdiep je in je kind. Ga samen naar het museum of het bos. „Praat, inspireer en reflecteer zonder dubbele bodems. Probeer uit te vinden wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn.” En bouw dat uit.

Opvoeding blijft daarbij belangrijk. In Nederland geven ouders tieners te veel autonomie óf ze zitten er juist bovenop, zegt Van Sark. In het eerste geval raakt een puber snel afgeleid door allerlei sociale media. En in het tweede geval zetten kinderen zich zo af tegen hun ouders dat ze helemaal niets meer doen. „En dan hebben de huiswerkklassen dus ook helemaal geen zin.” Volgens Van Sark „moet je als ouder fungeren als coach”. Die naast het kind staat. „Dus niet alwetend, maar ondersteunend.”

Terug naar Amsterdam Oud-Zuid. Waar de ‘bijspijkermarkt’ hoogtijdagen viert. En waar ouders elkaar opjutten over allerlei nieuwe bijlessen. Op verjaardagen gebeurt het wel eens, zegt de 47-jarige vader. „Dan vertelt een ouder dat ‘Pietje’ naar rekenles gaat in die en die straat. Twee andere ouders zeggen dan: Já, daar gaan die van ons ook heen. Waarop een andere ouder in paniek reageert: „Wat dan? Waarom weet ik dat niet? Vertel!” De vader laat het tegenwoordig van zich afglijden. „Mijn motto luidt: iedereen komt er wel, op zijn of haar manier.”