Vogeljacht spaarde de soort

De vogeljacht was een privilege. Tot een eeuw geleden zijn er geen soorten door bedreigd, laat Jan de Rijk zien.

Valk valt blauwe reiger aan. Valkeniers lieten hun dieren graag op blauwe reigers jagen die in kolonies op landgoederen werden gehouden. Ets van Guillaume Anne van der Brugghen (ca. 1821 - ca 1891). Foto Collectie Rijksmuseum

Van de niet zeldzame Nederlandse broedvogels werd tot 1920 de helft bejaagd en gegeten. Toch heeft dat maar zelden geleid tot vermindering van de aantallen. Integendeel, sommige soorten, zoals lepelaar, roerdomp, korhoen en patrijs, zijn in Nederland in die periode juist niet uitgestorven dánkzij de jacht.

Dat is althans de prikkelende conclusie van Jan de Rijk, die deze zomer aan de Vrije Universiteit promoveerde op een historisch onderzoek naar de invloed die de mens tot 1900 had op de vogelstand, door vogels te bejagen, te bestrijden én te beschermen.

De Rijk is van huis uit milieu-deskundige en natuurliefhebber (en geen jager). Hij worstelde zich de afgelopen 30 jaar door een overweldigende hoeveelheid archiefmateriaal uit de periode van 1500 tot 1900, waaronder bijvoorbeeld negenhonderd ‘jachtplakkaten’. Dat zijn documenten waarin per regio de jachtregels stonden.

In Nederland was jagen het privilege van een kleine groep mensen. De Rijk schat hun aantal, voor de periode tot 1800, op nooit meer dan 1500 personen. Dat is te overzien, op een bevolking die in diezelfde periode groeide van 1 miljoen (rond 1500) tot 2 miljoen mensen (rond 1800).

Kerkelijke jagers

Het aantal jagers is goed te achterhalen: ze staan geregistreerd in documenten die vaak in de provinciale archieven terug te vinden zijn. Zo weten we bijvoorbeeld dat er in 1594 in de provincie Utrecht zestig mensen waren die mochten jagen: 45 van adel, 9 kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en 6 hooggeplaatste stedelingen.

De Rijk: „De elite jaagde op die vogels en waardeerde hun vlees als een exclusief culinair product. De vogels kregen daarmee een economische en culturele waarde, waardoor het interessant werd om ze ook goed te beschermen.” Deze vogels, ‘waar aen de heeren haren lust hebben’, worden in de jachtplakkaten daarom ook wel ‘edele vogelen’, ‘adellijcke vogels’ en ‘heerenvogels’ genoemd.

Door de jachtregels door de eeuwen heen met elkaar te vergelijken kon De Rijk nagaan of een soort op peil bleef of afnam. Want als een algemene soort minder algemeen wordt, worden de regels om erop te jagen strenger en de boetes hoger. De Rijk legde daar zoveel mogelijk andere bronnen naast: de prijzen van eieren en gevogelte, die ook iets zeggen over zeldzaamheid, en de allervroegste ornithologische teksten, die soms meer over het jagen dan over de vogels gingen.

Stropen werd bestraft als zware criminaliteit: met forse boetes (een maandloon), en tot in de zeventiende eeuw ook met lijfstraffen (geselen, een oog uitsteken). Zonder die rigoureuze straffen en boetes hadden, zo schat De Rijk, zo’n 12 tot 16 soorten vogels het niet gered in het toen ook al vrij dichtbevolkte Nederland. „Voor een groot deel van de bevolking was vlees onbereikbaar, soms waren eieren al een luxe. Vogels waren overal voorhanden en ze waren vaak lekker. Desondanks werd de mensen ingepeperd dat ze niet achter een eend aan mochten gaan, of achter een patrijs. Een miljoen mensen moest in toom gehouden worden. Dat lukte alleen met strenge jachtregels.”

Blauwe reiger

De ‘adellijcke vogel’ bij uitstek was de blauwe reiger. Nederland was ook toen al een belangrijk blauwe-reiger-land, al waren de aantallen niet zo hoog als nu. Reigers vestigen hun broedkolonies graag in bossen met hoge bomen, en die waren er in die tijd minder. Terwijl er nu verspreid over het hele land reigerkolonies zijn, concentreerde de reigerpopulatie zich in het verleden in een beperkt aantal enorme kolonies (met honderden broedparen), vaak op landgoederen, en soms door de eigenaar aangelegd en onderhouden.

Dergelijke reigerbossen of reigerieën werden tegen indringers beschermd. Tegelijkertijd werden er eieren uit geoogst en werd een deel van de jongen uit de nesten geschud en opgegeten.

Tot in de achttiende eeuw werd er bij tien van die beschermde kolonies ook met valken op de volwassen reigers gejaagd. Dat gebeurde niet bij de kolonie zelf, maar op de vliegroute tussen visplek en kolonie. Men vond dat dat hoog in de lucht een fraai schouwspel opleverde.

In het verleden is de manier waarop landeigenaren met ‘hun’ reigerkolonies omgingen vaak ‘roofbouw’ genoemd. Maar uit de bronnen die De Rijk raadpleegde (zoals lijsten van wat er ieder jaar in zo’n kolonie aan eieren en jongen geoogst werd) blijkt dat het aantal broedparen op peil bleef. Het was dus eerder een duurzame vorm van exploitatie.

Als er één groep vogels niet ‘adellijck’ was, dan waren het wel de kraaiachtigen. De geschiedenis van de ‘kraij’ en de ‘roec’ in Nederland, ook in detail door Jan de Rijk uitgeplozen, laat zien hoe het denken over vogels bestrijden en beschermen in de negentiende eeuw begon te kantelen.

Kraaienschouw

Kraaiachtigen werden niet gegeten, want men at liever geen vlees van aaseters en insecteneters. Wel vond men de vogels bijzonder irritant, onder andere omdat ze op akkers het net ingezaaide zaad wegpikten. In een groot deel van Nederland werden daarom radicale bestrijdingsmethoden ingezet. Landeigenaren waren bijvoorbeeld verplicht om álle kraaiennesten op hun grond te verwijderen. Drie keer per jaar werd dat gecontroleerd met een ‘schouw’. Werd er toch een bewoond kraaiennest gevonden, dan kreeg de eigenaar een pittige boete.

Toch bleven de kraaiachtigen algemene vogels. Uit de bronnen blijkt niets van een sterke afname.

Pas tegen het einde van de achttiende eeuw begon men wat beter naar die vogels te kijken. De dieren bleken ook nuttig: de roek at bijvoorbeeld veel larven van schadelijke insecten. Al in het begin van de negentiende eeuw neigde de landelijke overheid daarom tot bescherming. Maar lokaal bleef men de vogels nog een kleine eeuw bestrijden. Een beschermer schreef in 1883: „Kraaien zijn zwart; maar de menschen maken ze nog zwarter dan ze zijn.”