Column

Op een dag kun je zelf een verdrevene zijn

Een wonderlijke aanblik, Europa in de zomer. Overal zijn mensen in beweging, naar hun vakantieadressen, ontspannen rondreizend of juist op zoek naar werk, veiligheid, een onderkomen. Rusteloze stromen van heel verschillende aard. De reportages over de jonge mannen die in de buurt van de Kanaaltunnel bivakkeren, in smerige bosjes, hongerig, opgejaagd en met maar één doel: die tunnel door, zijn pijnlijk en schrijnend. Wat denken ze daar aan de andere kant te vinden? Sinds wanneer is Engeland het paradijs?

De twee stromen bewegen langs elkaar heen, maar in zuidelijke landen ontmoeten ze elkaar soms. Dan krijg je van die foto’s van dikke mensen in kleurige vakantiekleding die proberen niet te veel te kijken naar de magere donkere types die daar helemaal niet voor hun vakantie zijn. De machteloosheid tegenover dit alles vliegt je nogal eens aan. Het is makkelijk om een beetje schamper te lachen om de ongelukkige toerist die in zijn korte broek naast een groepje vluchtelingen terecht is gekomen, maar wat moet hij of zij doen? Menselijk zijn, schreef dominee Marieke Brouwer laatst in deze krant, na een verblijf op Lesbos waar de gestranden niet te ontwijken zijn. Ja menselijk zijn. Een lift geven, een gesprekje voeren. Dat is het wel zo’n beetje.

Ik las Susan Sontags essay Kijken naar de pijn van anderen. Zij schrijft dat medelijden misschien niet het meest gepaste gevoel is als je naar zulke ellende kijkt. Mededogen en de overtuiging van eigen onschuld en machteloosheid horen bij elkaar, schrijft ze, en we moeten ons juist afvragen wat de oorzaken van hun lijden zijn. Of wij daar met onze bevoorrechte levens een rol in hebben gespeeld.

Hm ja. In de hoop zulke situaties te voorkomen uiteraard. Als je erin geloofde dat zulke situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden en dat de mensen heel anders worden dan ze zijn. Minder agressief, minder onverschillig voor het lot van anderen, minder achteloos over de consequenties van hun daden en voorkeuren.

Zucht.

Op een dag zou je het zelf kunnen zijn, één van diegenen die verdreven zijn uit hun leven. Om wat voor reden dan ook.

In Eye in Amsterdam is al de hele zomer een kleine tentoonstelling te zien van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. Hij maakte speciaal voor Eye een gefilmd schimmenspel van mensen die soms attributen meezeulen door een getekend landschap. De muziek erachter is soms vrolijk, soms klaaglijk. Sommige van de schimmen dansen of wervelen. Het is een wonderlijk mooie film, geprojecteerd op een scherm van 45 meter lang. More sweetly play the dance heet het. Speel de dans lieflijker. Wat voor dans?

Een dodendans denk je als je ernaar kijkt, het zijn de doden die ergens heen trekken. Waarheen weet je niet. En waardoorheen ook niet – een grijzig en beweeglijk landschap dat niet-ergens is. Maar het zijn ook al die mensen die over de wereld trekken, op weg naar ergens waar het beter zal zijn dan het was. If we ever get to heaven heet de hele tentoonstelling. De hemel aan de andere kant van de tunnel, aan het eind van de treinreis, de voettocht, de oversteek, het leven.

Op een of andere manier geeft de film van Kentridge, die helemaal niet treurigstemmend is trouwens, de toeschouwer een beeld om aan te denken als het over de op drift geraakten gaat. Dat beeld is natuurlijk geen oplossing van of voor iets. Het is een betekenisvolle samenvatting van zoiets als het menselijk lot. Vroeger. Nu. Straks. Dansant op weg naar nergens.