Nul wereldtitels... Wat zijn onze kansen in Rio?

De oogst van de Nederlandse zwemploeg op de WK in Kazan bestond uit acht zilveren medailles, inclusief die van de waterpolosters. Geen wereldtitel dus. Maar de prestaties van Kromowidjojo en de estafetteploeg bieden genoeg perspectief voor de Spelen in Rio.

Volgens een oude sportwet behalen sporters die vlak voor de Spelen wereldkampioen worden een jaar later geen olympisch goud. Wat dat betreft scoorde de Nederlandse zwemploeg strategisch het beste in Kazan: de oogst bestond uit acht zilveren medailles, inclusief die van de waterpolosters.

Ranomi Kromowidjojo sloot het toernooi gisteren op de 50 meter vrije slag wat dat betreft in stijl af met een tweede plaats. Met haar tijd (24,22 seconden) werd ze als wereldkampioene onttroond door de Australische Bronte Campbell (24,12), die ook de 100 vrij had gewonnen. „Kromo zou Kromo niet zijn als ze niet voor goud zou gaan, maar ik ben met zilver ook heel tevreden. Sommige mensen hadden mij al een beetje afgeschreven na twee lastige jaren. Maar zowel op de 50 als de 100 meter hoor ik nog steeds bij de wereldtop.”

Een ‘gemiddeld WK’

Zonder wereldtitels – voor het eerst sinds 2007 (Melbourne) – zwom Nederland „een gemiddeld WK”, was de conclusie van Joop Alberda, technisch directeur van de Nederlandse zwembond (KNZB). In open water heeft de ploeg volgend jaar bij de Spelen in Rio twee serieuze medaillekandidaten, met Sharon van Rouwendaal en Ferry Weertman, die in Kazan beiden zilver behaalden op de tien kilometer. Ook de prestaties van Kromowidjojo en de vrouwenestafetteploeg, met de pas vijftienjarige Marrit Steenbergen, bieden perspectief voor volgend jaar.

Maar ‘Kazan’ toonde andermaal aan hoe kwetsbaar het Nederlandse zwemmen is, net als in het verleden afhankelijk van enkele individuen. Hoe smal de basis in werkelijkheid is, werd gisterochtend duidelijk, toen schoolslagzwemster Moniek Nijhuis met koorts wakker werd. Niet alleen moest zij zich afmelden voor haar 50-meterfinale, haar ziekte zette ook een streep door de finale van de 4x100 meter wisselslag, én de olympische kwalificatie voor Rio. Een andere schoolslagzwemster op dit niveau heeft Nederland niet. „Op een aantal disciplines hebben we zo weinig diepte dat je een hele ploeg moet terugtrekken als er iemand ziek wordt”, constateerde ook Alberda. „We zijn een vrijeslagland geworden sinds de successen van Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn en Marleen Veldhuis. Dat heeft voor een geweldige aanwas gezorgd op de korte vrijeslagnummers.”

Vooral bij de mannen is de spoeling dun geworden op het internationale toneel. Nederlandse jongens zien geen brood in de vlinderslag, de rugslag en de schoolslag. „Borstcrawl is het coolst”, zegt oud-rugslagzwemmer Nick Driebergen, nu werkend voor Eurosport. „Wat ze ook zeggen, elke zwemmer zou het liefst olympisch kampioen 100 vrij willen worden. Ik was zelf ook liever borstcrawlzwemmer geweest.”

De schaarse aandacht voor de andere specialismen ligt ook aan de zwemverenigingen, denkt Driebergen. „Zij beschikken vaak over onvoldoende trainers om voor elke specialist een heel trainingsprogramma te maken. Als je als trainer een groep van twintig zwemmers moet begeleiden, is er weinig ruimte voor eenlingen. Heel bot gezegd: een rug- of schoolslagzwemmer ligt alleen maar in de weg.”

Bij de mannen blijft ook de populaire vrije slag een zorgenkindje. Sebastiaan Verschuren (26) mag zich na een paar mindere jaren weer tot de wereldtop rekenen met zijn vijfde plek op de 200 vrij, maar de finale van de 100 vrij miste hij. Positief is wel dat de Nederlandse mannen in Rio meedoen aan de 4x200 meter estafette, al zijn de medaillekansen erg klein in een veld met toplanden als Amerika, Australië en Groot-Brittannië.

Heemskerk grootste tegenvaller

De grootste tegenvaller in Kazan was het optreden van Femke Heemskerk, die tijdens de laatste test voor Rio in een nachtmerrie terechtkwam. De sprintster kwam naar de hoofdstad van Tatarstan als ’s werelds snelste zwemster op de 100 en 200 meter vrije slag, maar zij kon, zoals eerder in haar carrière, de druk van de finales niet aan. „Dit choken zie je soms bij sporters die vlak voor de finale moeite krijgen met de druk”, zei Alberda. „We hebben daar de afgelopen anderhalf jaar veel tijd en energie in gestopt met experts van NOC*NSF. We dachten dat het probleem onder controle was, maar dat was niet zo. Je kunt het alleen testen op een groot toernooi als dit. Als je een cursus doet op welk terrein ook wil dat niet zeggen dat je je het na afloop ogenblikkelijk eigen hebt gemaakt.”

Alberda noch Heemskerk kan verklaren waarom de grote finales alle energie uit haar lichaam trekken. Hij zal evalueren met de zwemster, coach Marcel Wouda en de specialisten van NOC*NSF wat nodig is om haar beter te laten omgaan met zware druk. Mogelijk luidt straks de conclusie dat Heemskerk zich komend jaar richt op de estafettenummers. In de beslotenheid van een team heeft ze minder last van druk. Met de ‘Golden Girls’ werd ze in 2008 olympisch kampioen op de 4x100 meter vrije slag, in 2009 en 2011 werden ze wereldkampioen.