Leesverdediging

De literaire ervaring staat voor criticus James Wood heel dicht bij het leven. De grote ontdekking van fictie was voor hem dat je van een volkomen vrije ruimte kon genieten. Als hij leest, zit hij het leven dicht op de huid, het maakt hem niet uit dat het verzonnen is. Je moet de personages niet letterlijk gaan verbeelden, niet tot een beeld reduceren, maar je moet hun privacy schenden – daarin schuilt de spanning van lezen volgens Wood, die zich bijna schaamt om mee te maken wat D.H. Lawrence beschrijft, of verzint.

Wood, die drie pagina’s lang kan schrijven over ‘het kloppen op de deur bij Shakespeare’ of die ‘meerdere malen per week’ denkt aan een grapje uit Nabokovs Pnin, wil juist niet de werkelijkheid toepassen op de fictie, maar de fictie toelaten in het leven. Alleen zo kan fictie in vrijheid bloeien. De vraag is dan alleen: waarom heb je voor het vieren van die vrijheid andermans geest nodig en ‘waarom zou je fictie koesteren als ze slechts deze alom aanwezige vrijheid [van geest] kopieert?’

Dat is nodig omdat de meeste lezers al snel ‘het censurerende superego’ inschakelen zodra ze in de buurt komen van de grens van wat ‘in gedachten geoorloofd is’. Mensen durven niet zélf te fantaseren over seksuele uitspattingen, maar willen er wél over lezen – dat argument werd bij E.L. James vaak genoemd. Tintelingen is een liefdevolle defense of literature, waarbij de minder ervaren lezer dan Wood toch wat aan de buitenkant blijft.