Column

Kunst om te huilen

Een bevriende kunsthistoricus is beslist: „Als je wilt dat museumbezoekers gaan huilen, moet je muziek draaien. Om beeldende kunst alleen zal niemand een traan laten.” Hij sluit zich met deze opvatting aan bij niemand minder dan Leonardo da Vinci. De Italiaan schreef in zijn aantekeningen, of Paragone, dat schilderijen mensen aan het lachen kunnen krijgen, niet aan het huilen.

Raar eigenlijk. Film, muziek en romans brengen voortdurend mensen aan het huilen, beeldende kunst niet. Zelf houd ik van beeldende kunst én ik ben een huilebalk. Zelfs bij het kijken naar tweederangs, Amerikaanse sportfilms wellen bij mij de tranen, toch heb ik voor een schilderij nog nooit een traan gelaten.

Een veel gehoorde verklaring luidt dat een schilderij geen dramatische ontwikkeling biedt. In een film of symfonie trekt een opeenvolging van gebeurtenissen of akkoorden de beschouwer in het kunstwerk, bij een schilderij krijgt hij alles in één keer, onveranderlijk en compleet.

Iedereen kan dit natuurlijk bedenken, maar ik vond de gedachte in het boek Pictures & Tears: A History of People Who Have Cried in Front of Paintings van de Amerikaanse kunsthistoricus James Elkins. Hij viert de jankerd. Hij geeft zelfs tips voor hen die droog blijven staan in het museum, al weet ik niet hoe effectief die tips zijn: Elkins zelf is het immers nooit gelukt. Ja, bijna, schrijft hij, als tiener voor Bellini’s Visioen van de heilige Franciscus.

Elkins heeft een verklaring voor zijn eigen droogte. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van kunst. Stom, want kennis staat de ontvankelijke houding in de weg die zo noodzakelijk is voor het opwellen van tranen, aldus Elkins. „Iedereen die zelfs ooit maar een fractie van een seconde naar een schilderijbijschrift of in een kunstboek heeft gekeken, is minder goed in staat om werkelijk te zijn aangedaan door wat hij ziet.”

Right, dus ongeletterden huilen.

Ik geloof er niets van. Het is ook in strijd met wat de Florentijnse psychiater Graziella Magherini heeft waargenomen bij buitenlandse bezoekers die door de knieën gingen tegenover de originelen van de grote renaissancekunst. Ze raakten onwel, vaak in het Uffizi, soms in de Scuola di San Rocco in Venetië. Wat Magherini waarnam, noemde ze het Stendhalsyndroom, naar de Franse schrijver. Stendhal had hartkloppelingen gekregen na een bezoek aan de Santa Croce in Florence. Duizelig was hij. „Het leven was bijna uit me weggeglipt.”

Magherini had een Tsjechische jongeman geholpen die ineenstortte, letterlijk, bij het zien van Masaccio’s fresco’s in de Brancacci kapel in Florence. Hij had eindeloos op de grond gelegen: „Het voelde alsof ik daar op de grond mijn eigen lichaam verliet.”

Volgens Magherini is juist onderricht de crux om deze kunsthysterie te begrijpen. De overrompeling zal voortbestaan, meent zij, zolang reisgidsen en middelbareschoolleraren Italiaanse kunst op een koortsachtig en duizelingwekkend hoog voetstuk houden. Met andere woorden: de zwakken van hart kiezen hun objecten van overrompeling, al zullen ze dat zelf niet toegeven: ze zijn immers overmand door emoties, ze hebben niets gekozen.

Ik geloof de psychiater, niet de Amerikaanse kunsthistoricus. Bijvangst is dat het me dichter bij Leonardo brengt. Hij schaarde kunstgenot immers onder de intellectualistische aangelegenheden. Huilen en in katzwijm vallen mag natuurlijk, ga je gang. Maar veel meer dan een aansteller ben je niet.