Hedendaagse ramptoerist maakt rampselfie

Vorige week gingen ze naar Alphen om de brug te zien: de ramptoeristen. Ze kwamen zelfs in groten getale. Burgemeester Liesbeth Spies was er kwaad over. Tegen een krant zei ze: „Mensen gaan zomaar tuinen van anderen binnen en richten daar schade aan, ze houden zich niet aan afzettingen en sommigen zijn zelfs op auto’s gaan staan om foto’s van de rampplek te maken.”

Dat je nieuwsgierig bent naar een ramp of rampplek, kan ik goed begrijpen. Ook ik heb het ongeluk in Alphen diverse keren bekeken op filmpjes via internet. Maar dat je in de auto stapt om naar zo’n rampplek toe te rijden, getuigt mijns inziens van erg weinig mededogen.

Bestaat ramptoerisme al lang? Zonder twijfel. Het is bijvoorbeeld bekend dat de Franse belegering van Den Bosch in 1794 veel ramptoeristen trok, zij het dat zij toen pottenkijkers werden genoemd. De oorspronkelijke betekenis van pottenkijker is iemand die in de keuken ongevraagd meekijkt in de potten op het vuur.

Van oudsher kwamen er mensen kijken naar belegeringen en veldslagen – rampen die zich aan het voltrekken waren. Naar veldslagen kwamen ze ook uit praktische overwegingen: dode en stervende soldaten waren een stuk makkelijker te beroven dan levende soldaten. Berucht zijn de brute plunderingen na de slag bij Solferino in 1859, een slag die bijna 40.000 mannen het leven kostte.

Henri Dunant was zo geschokt door wat hij op dit slagveld zag, dat hij het initiatief nam om het Rode Kruis op te richten.

Pottenkijkers bij rampen zijn er zonder twijfel altijd geweest, maar sinds wanneer noemen wij ze ramptoeristen? Bij mijn weten is dit woord in 1972 voor het eerst aangetroffen. In dichte mist klapten op 25 augustus 1972 dertig auto’s, vijf tankwagens en acht vrachtwagens op elkaar op de A16 bij Prinsenbeek. Bij dit ongeluk, nog altijd de grootste kettingbotsing in de Nederlandse geschiedenis, kwamen dertien mensen om, raakten 23 mensen zwaargewond en liepen tientallen automobilisten verwondingen op. Het ongeluk richtte een grote ravage aan, die veel mensen weleens van nabij wilden zien.

„Nederlanders zijn in hun verkeersgedrag nog onervaren en primitief”, schreef de Leeuwarder Courant een paar dagen na deze ramp.

„Zo kan het gebeuren, dat Nederlandse automobilisten het hulp- en opruimingswerk bij Breda gaan bemoeilijken door zich als ramptoerist naar het slagveld te spoeden. Velen gedragen zich nog als wegbarbaren en verkeerswilden – óók ouderen.”

Voor zover bekend raakten de woorden ramptoerist en ramptoerisme niet meteen ingeburgerd. Althans: in de jaren zeventig en tachtig komen we ze slechts sporadisch tegen in de krantenarchieven die momenteel digitaal doorzoekbaar zijn. Vanaf het begin van de jaren negentig duikt de ramptoerist op in jaarboeken bij encyclopedieën, in taaltijdschriften, in lijstjes met neologismen en vervolgens in woordenboeken.

Het lijkt er dus op dat ramptoerisme de afgelopen 25 jaar een steeds bekender verschijnsel is geworden. De hedendaagse ramptoerist komt zonder twijfel niet alleen om de ramp te fotograferen, maar vooral ook zichzelf op de plek des onheils. Voor een rampselfie dus, een woord dat al opgang begint te maken.