Extreemlinkse groep eist aanval consulaat VS in Istanbul op

Een extreemlinkse Turkse groepering zegt achter de aanval van vanochtend bij het Amerikaanse consulaat in Istanbul te zitten. Amerikanen zijn de vijand, schrijft de groep in een verkaring.

Het Amerikaanse consulaat in Istanbul na de aanval. Foto EPA /Sedat Suna

Een extreemlinkse Turkse groepering heeft de aanval van vanochtend bij het Amerikaanse consulaat in Istanbul opgeëist. In een online verklaring schrijft het Revolutionair Volksbevrijdingsfront (DHKP-C) dat de Verenigde Staten een “vijand van de volkeren van het Midden-Oosten” zijn.

Bij de aanval openden twee vrouwen het vuur op het gebouw van het Amerikaanse consulaat. Niemand raakte gewond, behalve één van de twee daders. Deze 51-jarige vrouw is opgepakt, hebben de autoriteiten in Istanbul bekendgemaakt, schrijft persbureau Reuters. De DHKP-C wordt door de VS, Europese landen en Turkije aangemerkt als terroristische organisatie.

Alleen dader gewond

Voor zover bekend zijn de andere aanslagen - in het zuiden van Turkije in de grotendeels Koerdische stad Silopi en op een politiebureau in Istanbul - nog niet opgeëist. In Silopi kwamen vier Turkse politieagenten om bij een ontploffing. Bij de bomaanslag in Istanbul zijn zeker tien mensen (drie politieagenten en zeven burgers) gewond geraakt. Verder kwam in Sirnak, in het zuidoosten van Turkije, een soldaat om nadat Koerdische rebellen op een legerhelikopter hadden geschoten.

turkijekaart

Het Marxistische DHKP-C heeft al eerder aanslagen opgeëist, waaronder een zelfmoordaanslag op de Amerikaanse ambassade in Ankara in 2013. Daarbij kwam een Turkse beveiliger om het leven.

Campagne tegen PKK

De veiligheidssituatie in Turkije is sinds de aanslag op 20 juli in de grensplaats Suruç in rap tempo verslechterd. Bij de explosie in een cultureel centrum kwamen minstens 30 mensen, onder wie veel Koerden, om. De verboden Koerdische Arbeiderspartij PKK, de wordt gezien als vijand van de Turkse staat, hield de Turkse regering gedeeltelijk verantwoordelijk. Erdogan zou hebben toegestaan dat terreurgroep Islamitische Staat (IS) kon groeien en een dergelijke aanslag kon plegen.

Sinds de aanslag in Suruç en de reeks PKK-aanvallen die volgden, is de Turkse krijgsmacht een campagne begonnen tegen PKK-bases in het noorden van Irak. Volgens het staatspersbureau Anadolu zijn daarbij 260 strijders gedood, onder wie sleutelfiguren van de PKK. Van het broze vredesproces waartoe president Erdogan in 2012 het initiatief nam, lijkt weinig meer over. Erdogan zei daarover vorige maand dat het proces “onmogelijk” was geworden. Ook de PKK wordt door de VS, Turkije en de Europese Unie aangemerkt als een terroristische organisatie.