Zwangerschap? Daar konden ze je op ontslaan

Heel gek, maar pas na haar emeritaat werd Han van Konijnenburg-Van Cittert (1943) voor allerlei bijeenkomsten met andere hoogleraren uitgenodigd.

Han van Konijnenburg-Van Cittert werd op haar 60ste hoogleraar paleobotanie. Foto David van Dam

Oh, ja, seksisme in de wetenschap, daar heeft paleobotanicus Han van Konijnenburg-Van Cittert (72) wel ervaring mee, zegt ze vooraf aan de telefoon. Een paar dagen daarna haalt ze de verslaggever op van station Castricum, in haar grijze Golf, en even later staan we in haar huis in Bakkum-Noord naar fossiele zaadvarens en coniferen te kijken, de miljoenen jaren oude planten prachtig zwart afgedrukt in de grijze steen. „Kijk, dit is een van de allereerste fossielen die ik zelf gevonden heb, op vakantie met mijn moeder in Zuid-Limburg.”

Van Konijnenburg-Van Cittert heeft „lol in fossiele planten, altijd gehad”, sinds dat tripje. Haar ouders waren succesvolle natuurkundigen: haar vader begon het Universiteitmuseum in Utrecht, haar moeder werd er na zijn dood directeur. Maar de carrière van Van Konijnenburg-Van Cittert zelf speelde zich grotendeels in de marge van de universitaire wereld af. Je kunt eigenlijk niet eens van een carrière spreken, zegt ze opgewekt: „Ik ben overal ingerold.” Dat ze op haar zestigste nog hoogleraar werd, vindt ze zelf ook „wat bijzonder”. Maar zo liep het.

In haar studietijd – biologie, Utrecht, 1961-1967 – merkte ze trouwens nog niets van enig seksisme, zegt ze. Er waren wel wat weinig meisjes mee op een excursie naar de Eifel, fossiele planten zoeken. Maar kennelijk deed zij het goed, want die professor regelde dat ze veldwerk in Yorkshire kon gaan doen. „Daar heb ik heel veel geleerd, ook over verzamelmethoden, want daar weet je dan nog geen fluit van.”

Terug in Nederland kreeg ze als student, begin twintig, zelfs een publicatie op haar naam. Nieuwe soorten. „Ach, een klein varentje. Of twee varentjes eigenlijk.” Haar professor vroeg meteen een beurs voor haar aan, bij ZWO (de voorloper van wetenschapsfinancier NWO), om te promoveren op een nieuwe techniek: pollen isoleren uit de voortplantingsorganen van platgedrukte fossiele coniferenkegels uit het Jura (ca. 200-145 miljoen jaar geleden). „En toen kwam ik wél seksisme tegen.”

In 1968 is ze getrouwd, vertelt ze. „Met een technisch natuurkundige uit Delft. Onze moeders waren studievriendinnen. Enigszins onverwacht raakte ik in verwachting. En daar konden ze je op ontslaan.” In 1969 dus. Onderkoeld: „Dat is toch redelijk seksistisch.” Maar haar hoogleraar zei: als je lang door kunt werken, vertellen we het pas aan ZWO als het kind er is. „Nou, ik had een prima zwangerschap. Mijn laatste veldwerk deed ik toen ik vier maanden zwanger was. Dat was wel van steen naar steen springen af en toe, en die stenen zijn met wier begroeid, best glad, nu doe ik dat niet meer.” Zoon Jan-Henk zegt nog altijd: ‘doordat je dat toen deed, moest ik wel geoloog worden’.

Haar laatste werkdag was een vrijdag. „Zondag is de baby geboren en drie weken later was ik weer aan het werk.” Toch waren ze boos, bij ZWO, vertelt ze: „Want je had recht op kindertoeslag, bij je beurs. En ze zeiden tegen mijn prof: nou maakt ze vast haar proefschrift niet af.” Maar op haar 27ste promoveerde ze, in 1970, inmiddels zwanger van dochter Petra.

Waarna ze tot haar zestigste geen betaalde aanstelling meer kreeg aan een universiteit. „In die tijd was het leven simpel: er was géén kinderopvang. Dat maakte het vrijwel onmogelijk om in de wetenschap door te gaan.” Dus ging ze lesgeven in het St. Jozef-ziekenhuis in Heemskerk, anatomie en erfelijkheidsleer, via vrienden van biologie. En toen haar man een paar jaar in Tiel werkte, werd ze daar biologiedocent aan de Mavo.

Terug in Castricum ontwikkelde ze methoden om dyslectische kinderen moderne talen te leren, want Petra was dyslectisch. „Net als mijn man. Ik heb zijn proefschrift vier keer uitgetikt en altijd zijn rapporten nagelezen.”

Was ze niet teleurgesteld dat ze geen eigen wetenschappelijke loopbaan had? „Nee hoor! ’s Avonds en als de kinderen naar school waren, ging ik verder met het onderzoek van mijn proefschrift, uit lol in het vak. Ik maakte thuis preparaten. Dan stond ik in de keuken met kaliumchloraat te werken, dat is explosief, en dan kwam mijn zoon thuis met vrienden – ik heb hem pas veel later verteld wat ik aan het doen was. En eens per jaar paste mijn man een paar dagen op de kinderen en dan ging ik naar een congres in Engeland. Dat was toen heel ongebruikelijk, ja, maar zijn moeder werkte ook al, mijn man was gewend aan een werkende vrouw.” Ze publiceerde ongeveer elke drie jaar een wetenschappelijk artikel.

Toen de kinderen gingen studeren, 1988, 1989, wilde ze weer de wetenschap in, maar ze kwam er niet tussen. Later hoorde ze dat de verantwoordelijke prof, een man, liever anderen een kans gaf omdat haar man al een baan had. Op de Universiteit Utrecht kon ze wel gastmedewerker zijn en het lab gebruiken. Het was uiteindelijk het natuurmuseum / onderzoeksinstituut Naturalis in Leiden dat in 2003 een bijzonder hoogleraarschap voor haar aanvroeg, toen ze daar hielp een chaotische collectie fossielen op orde te brengen. „Maar toen kreeg mijn man kanker en kon ik minder doen dan ik wilde.” Hij overleed in 2005. En in 2008 ging Van Konijnenburg-Van Cittert met emeritaat. „Het gekke is dat ik daarna pas voor allerlei bijeenkomsten met andere hoogleraren werd uitgenodigd”, zegt ze.

Zowel in Leiden als Utrecht heeft ze nu een werkplek. Wrokkig over haar loopbaan is ze niet. „Op het moment dat ik misschien wrokkig had moeten zijn, had ik dat niet zo door. Ik was te druk bezig met dingen die ik leuk vond. Wrok is verspilde energie.” Donderdag gaat ze weer naar Utrecht. „Een vreselijk gezellige club.” En volgende week komen er een paar Italianen bij haar langs, op werkbezoek.