Vrijheid, ongelijkheid en gewinzucht

De Verlichting geldt als de periode waarin Europa de sprong naar de moderne tijd maakte. Toch is de nalatenschap heel gemengd, bleek tijdens een internationale conferentie.

De beurs van Amsterdam in 1693. Kopergravure van Casparus Commelin collectie stadsarchief amsterdam

De Verlichting ligt al enkele eeuwen achter ons, maar hij spreekt nog steeds tot de verbeelding. Want het is moeilijk voorstelbaar dat een congres over, zeg, de Renaissance evenveel volk zou trekken als vorige week in Rotterdam de 14de conferentie van ISECS. Dat internationale gezelschap historici legt zich toe op studie van de ‘lange 18de eeuw’ (1650-1815), die bekend staat als het tijdperk van de Verlichting. Het thema was ‘Opening van nieuwe markten’. De voor Europeanen bekende wereld was sinds de 16de eeuw flink gegroeid en wereldwijd werd gehandeld in van alles: van koffie, thee en slaven tot aandelen, atlassen en opruiende traktaten. Zo’n duizend vakgenoten uit de hele wereld kwamen erop af.

In zeven grote lezingen en ruim tweehonderd kleinere sessies werd die nieuwe wereld in kaart gebracht, met handelsroutes, beurzen en transacties, en met in druk verspreide nieuwe ideeën over de natuur, de samenleving en de mens.

‘Rede’ en ‘recht’, ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’: die beginselen werden vaak genoemd. Want zo zien we de Verlichting tegenwoordig graag: als de periode waarin het Westen de grondslagen legde voor wetenschappelijke vooruitgang, democratisch bestuur en mensenrechten. Maar zo rechtlijnig verloopt de geschiedenis niet; er lopen geen ononderbroken lijnen van het gedachtengoed van 18de-eeuwse denkers naar de werkelijkheid van nu. En hun nalatenschap is zeker niet eenduidig.

Conferentiegangers werden vorig week niet alleen onthaald op vertogen over ‘natuurlijke rechten’ en ‘gelijkheid', ze hoorden ook andere Verlichtingsstemmen: over de redeloosheid van de massa; over winstbejag als deugd; en over natuurlijke ongelijkheid tussen volken.

Margaret Jacob, hoogleraar aan de University of California (Los Angeles), mocht de conferentie openen. In haar voordracht Space expanded and filled anew zette zij het vroegmoderne Europa met enkele rake penseelstreken neer. Expansie was het sleutelwoord. „De wereldhandel – lees: het kapitalisme – kon groeien in een ongekende ruimtelijke werkelijkheid”. Europeanen ontdekten nieuwe werelden, op aarde én aan de hemel. De wereldkaart werd verder ingetekend en sterrenkijkers als Galileo Galilei en Christiaan Huygens kregen Jupiter en Saturnus in het vizier. Expansie op aarde ging in de zeventiende eeuw gepaard met hevige politieke crises: de Dertigjarige Oorlog in Centraal-Europa, revoluties op de Britse eilanden en de verdrijving van de Spanjaarden uit de noordelijke Nederlanden.

Dat alles vroeg om een nieuwe duiding, eerst in godsdienstige en al gauw ook in politieke termen. Jacob wees op een paradoxaal gevolg van de Europese expansie. Aan de ene kant vergrootte die de macht van de vorsten in wier naam nieuwe gebieden werden verkend, en van de clerus die hen ondersteunde. Aan de andere kant veranderde die expansie het Europese wereldbeeld.

Vrijdenken

In Amerika en Afrika leefden volken waarover zowel de Bijbel als de schrijvers van de Oudheid hadden gezwegen. Dit prikkelde imperialistische fantasieën, maar ook vormen van vrijdenken die zorgden voor een geleidelijke ondermijning van religieuze zekerheden en politiek gezag. Jacob gaf een intrigerend voorbeeld. In de jaren 1723-1743 publiceerden twee Fransen, de schrijver Jean-Frédéric Bernard en de graveur Bernard Picart, in Amsterdam een overzichtswerk in negen delen: Cérémonies et coutumes religieuses de tous les peuples du monde, een eerste poging om religies op voet van gelijkheid te behandelen en zo de superioriteit van het christendom te relativeren.

We moeten het bereik van zulke ideeën overigens niet overdrijven. Een Amsterdamse koopman kocht de delen van Bernard en Picart misschien louter om de fraaie gravures, of omdat ze chic stonden in zijn kantoor. Daar prijkten ze mogelijk naast de Cyclopaedia van Ephraim Chambers (Londen, 1728), twee banden met de toenmalige stand van ‘kunsten en wetenschappen’.

Chambers begint het lemma ‘Neger’ zo: „Een soort van slaven, dat een aanzienlijk artikel vormt in de moderne handel’. Verderop vraagt hij zich af wat de ‘oorzaak is van dat opmerkelijke verschil in huidskleur met de rest van de mensheid’. Zoals zo vaak in vroegmodern Europa, is de blanke hier de maatstaf der dingen.

Ook Afrikaanse slaven waren een realiteit van de vroegmoderne wereld die om duiding vroeg. In Rotterdam hield Devin Vartija een voordracht over de uitvinding van rassenclassificatie. Vartija, promovendus aan de Universiteit Utrecht, is gefascineerd door de gelijktijdigheid van rasindelingen en gelijkheidsidealen in de Verlichting. Er zijn twee gangbare opvattingen over raciale classificaties. Volgens de eerste kwamen die pas echt in zwang aan het eind van de 18de eeuw, als reactie op de steeds luidere roep om afschaffing van de slavernij. Volgens anderen ontstonden indelingen van de mensheid naar huidskleur een eeuw eerder, om de aanwezigheid van slaven in de Amerikaanse koloniën te duiden.

Vartija erkende dat er een verband bestaat tussen slavernij en rasindelingen. Toch is dat niet het hele verhaal, zei hij. Fundamenteler is een verschuiving, die optreedt in de late 17de en de 18de eeuw, in het denken over verschillen tussen mensen: van religieuze verschillen naar een ‘rationeel’ onderscheid in ‘natuurlijke kenmerken’. Vartija schrijft die verandering toe aan het groeiende besef dat ook de mens deel is van de natuur.

Voor achttiende-eeuwse anatomen gingen verschillen tussen rassen meestal niet dieper dan de huid. En menig ‘naturalist’, Chambers incluis, was op morele gronden tegenstander van de slavenhandel. En toch, zei Vartija, zien we in de Verlichting niet alleen pleidooien voor gelijkheid, maar ook verhandelingen over aangeboren ongelijkheid. In de negentiende eeuw zou die lijn worden doorgetrokken en zouden mensenrassen ook worden onderscheiden naar geestelijke vermogens.

Mens en maatschappij werden in de loop van de 17de en 18de eeuw steeds minder beschreven in godsdienstige termen en steeds vaker gemeten met de maatstaven van de natuurwetenschap. De metaforen waren navenant: de natie werd voorgesteld als een menselijk lichaam (the body politic), de staat als een – welwillend – zeemonster (Hobbes’ Leviathan).

Bijenkorf

De Nederlandse Republiek was de eerste moderne economie, maar er ontbrak een economische theorie. De koophandel werd beschreven in gelijkenissen. In haar lezing The Nature of the Economy besprak VU-professor Inger Leemans de aandelenhandel aan de hand van vroegmoderne prenten en gedichten. De eerste plek ter wereld waar aandelen – die van de VOC – werden verhandeld was de Amsterdamse Beurs. Die was ontworpen door stadsarchitect Hendrik de Keyser en opende zijn deuren in 1611. In een gedicht uit 1655 beschreef Joost van den Vondel de beurshandel. Van bovenaf bezien, dichtte hij, is de beurs een bijenkorf, waar de honing van exotische producten wordt opgeslagen in de kleine winkeltjes onder de bogen. De beurs is ook een kloppend hart dat door stromen kooplieden vanuit de hele wereld toe te laten de natie voorziet van levensbloed. En het dierlijke instinct dat deze stromen mensen en koopwaar op gang houdt is ‘gewinzucht’.

Volgens Leemans construeerden teksten als deze in de 17de en 18de eeuw een koopliedenideologie. Nederlandse kunstenaars, vaak in opdracht van stadsbesturen of rijke handelaren, waren in ruil voor aanzien en een mooi honorarium graag bereid om een veel te enthousiasmerend beeld te schetsen van bestaande handelspraktijken. Leemans haalt economisch historicus Deirdre McCloskey aan die stelt dat vertogen over ‘burgerlijke deugden’ een sleutelrol speelden bij het ontstaan van een kapitalistische samenleving.

Leemans: „Kapitalisme is ook het product van verbeeldingskracht. Een ruim arsenaal aan begrippen is nodig om het kapitalistische systeem ‘natuurlijk’ te doen lijken, kooplui vertrouwen te geven in het economische proces en hen een motiverend zelfbeeld aan te reiken.” Winstbejag (‘gewinzucht’ ) gold als zo’n burgerlijke deugd en nastreven van het eigenbelang zou juist „leven geven aan ’t lichaem van ’t Gemeen”, zoals Van den Vondel dichtte.

Die koopliedenideologie gaf geen inzicht in de manier waarop de exotische producten die werden verhandeld aan de beurs waren verworven. De snel groeiende wereldhandel werd niet, zoals Adam Smith, de Schotse vader van het economisch liberalisme, leerde, gestuurd door een Onzichtbare Hand, maar door onder dreiging met scheepsgeschut gesloten contracten met Oosterse sultanaten. De achttiende eeuw kende geen vrijhandel, maar mercantilisme, waarin het moederland het alleenrecht opeiste op de handel met zijn koloniën. In de vroegmoderne wereld was Hugo de Groot’s ‘vrije zee’ het domein van de best bewapende schepen.

Respect voor de rede ging lang niet altijd samen met een hang naar vrijheid en gelijkheid. Zo dachten Verlichtingsfilosofen heel verschillend over de monarchie. Diderot, wiens ideeën een belangrijke rol zouden spelen in de Franse Revolutie, schreef: „De mens zal nooit vrij zijn voordat de laatste koning is gewurgd met de ingewanden van de laatste priester”. Voltaire daarentegen had meer vertrouwen in de redelijkheid van vorsten dan in de redeloze massa. Hij schreef: „Ik gehoorzaam liever een fiere leeuw, die veel sterker is dan ik, dan tweehonderd ratten van mijn eigen soort”. Als het ging over de inrichting van staat en samenleving leefden er in de achttiende eeuw diametraal tegengestelde ideeën.

Dat er geen ononderbroken lijnen lopen van de Verlichting naar de wereld van nu blijkt duidelijk uit de lotgevallen van de Nederlandse Republiek.

Joost van den Vondel, wiens doopsgezinde ouders in 1582 uit Antwerpen waren gevlucht toen de Spanjaarden oprukten in Vlaanderen, schreef het eerder genoemde gedicht ter gelegenheid van de inwijding van het nieuwe stadhuis van Amsterdam. Dat is nu het Koninklijk Paleis, maar in 1655 was dit een trots monument van de jonge Republiek die zich net had vrijgevochten van Spanje. Na de dood van Willem II in 1650 konden de regenten het heel goed stellen zonder stadhouder. De Zeven Verenigde Nederlanden vormden een archipel van stedelijke republiekjes en soevereine provincies in een zee van koninkrijken. Ze waren in de tweede helft van de 17de eeuw ook het centrum van de Europese oppositie tegen de machtshonger van Lodewijk XIV. Ambassadeurs, spionnen, vluchtelingen en intellectuelen kwamen van overal naar de Republiek. Daar kwam tot bloei wat Margaret Jacob en Jonathan Israel hebben omschreven als de ‘Radicale Verlichting’. Daar kon alles, eventjes.

Zwanenzang

De lezing waarmee de Utrechtse hoogleraar Wijnand Mijnhardt de conferentie besloot, had de titel De zwanenzang van de Nederlandse Verlichting. Tot ongeveer 1720 was er in de Republiek ruimte – zij het geen groot publiek – voor radicale opvattingen als die van Baruch de Spinoza, die individu en samenleving wilde bevrijden van ‘bijgeloof’ en ‘intellectuele horigheid’. Die relatieve vrijheid hing samen met de autonomie en het kosmopolitische karakter van Hollandse steden. Onder de vele immigranten waren „Franse Hugenoten, gefrustreerde hovelingen uit Italië, ontgoochelde intellectuelen uit de Duitse landen en radicale republikeinen uit Engeland”. Zij konden publiceren in hun eigen taal bij Hollandse uitgevers, en die boeken werden in heel geletterd Europa gelezen.

Als Lodewijk XIV in 1672 de Nederlanden binnenvalt, maken bange regenten de als ‘kind van staat’ opgevoede zoon van Willem II stadhouder. Mijnhardt ziet de komst van Willem III als keerpunt. Het was deze ‘meest getalenteerde Oranjetelg ooit’ die de leiding nam van het verzet tegen Frankrijk én een begin maakte met centralisering van de politieke macht, iets waartegen de opstandige gewesten zich een eeuw eerder juist met hand en tand hadden verzet. Zijn achterneef zou als Willem IV in 1747 voor het eerst erfelijk stadhouder worden, waarmee een proces van ‘monarchisering’ werd ingezet dat in 1815 zou worden afgesloten met uitroeping van het Koninkrijk Holland.

In de tussentijd had het politieke denken in de Republiek een behoudende wending genomen. De machtsverhoudingen waren verschoven ten koste van stedelijke elites. Handelsstromen werden naar elders verlegd, de stadsbevolking kromp en als gevolg van stijgende landbouwprijzen won de landadel, bondgenoot van de erfelijke stadhouder, aan macht.

De immigrantenstroom droogde op en daarmee nam de diversiteit van de bevolking af. De intelligentsia raakte steeds meer naar binnen gekeerd en kunst en wetenschap kregen een steeds ‘nationaler’ karakter. Uiteindelijk baarde de Republiek, ooit een bolwerk van hemelbestormers, een behoudende monarchie.

De conclusie van vijf dagen congresseren zou kunnen luiden dat de nalatenschap van de Verlichting op zijn minst tweeslachtig is. In hedendaagse ideologische termen kunnen zowel ‘links’ (gelijkheid, mensenrechten) als ‘rechts’ (vrijheid van ondernemen, minimale staatsbemoeienis), en zelfs ‘uiterst rechts’ (superioriteit van het blanke ras) zich beroepen op dit wel heel gevarieerde repertoire.

Er lopen geen rechtstreekse lijnen van de Verlichting naar het heden. In die lange achttiende eeuw heeft de wetenschap belangrijke vorderingen gemaakt, waarop later is voortgebouwd, zeker. Maar liberale democratieën en moderne verzorgingsstaten lieten nog lang op zich wachten, en bij de opbouw daarvan is rijkelijk geput uit gedachtengoed van later datum, zoals christen- en sociaal-democratie.