Veel gezelliger toch, zo’n duider in je talkshow

Talkshows hebben moeite politici te strikken. Geen wonder, want het ego van de presentator is wat daar telt, stelt Ebru Umar.

‘Politici zijn steeds minder genegen om in talkshows op te treden”, zei eindredacteur Herman Meijer van Pauw deze week in NRC. „Hoe vaak wij niet ‘nee’ te horen krijgen in Den Haag tegenwoordig. Het is een frustrerende ontwikkeling.” Dus worden duiders gevraagd. Allemaal mannen – want vrouwen willen niet. Die zin begint te vervelen, net als de opmerking dat politici niet willen.

Misschien is het tijd voor talkshowredacteuren om eerlijk te zijn in plaats van semi-belangrijk te doen: politici zijn marktlui die wat te verkopen hebben. En wel zichzelf.

Rondom de Provinciale Statenverkiezingen waren ze niet van de buis af te slaan. Provinciale Staten! Heeft een landelijke politicus niets mee te maken, maar programmamakers, zelfs die gefinancierd worden door de belastingbetalende burger, weigeren anderen dan bekende koppen op tv uit te nodigen. En politici zijn niet dom: ze weten dat hun bekende kop meer waard is voor de partij dan de lokale politicus die wél op de kieslijst staat, op wie wél gestemd kan worden en die wél weet waar hij het over heeft. Dus ze komen opdraven. Met een eisenpakket, laat niemand daaraan twijfelen.

Want als je een politicus fileert (wie kan dat nog in Hilversum?) komt-ie de volgende keer misschien niet, zoals Pauw&Witteman-redacteur Peter Kee trots uitlegde in zijn boekje Het briefje van Bleeker. Hij vertelt daarin over hoe de redactie van P&W politici benaderde, hoeveel kopjes koffie daaraan vooraf gaan met voorlichters. Hoeveel afspraken er over de inhoud gemaakt worden. Wat er wel/ niet besproken wordt.

Matthijs van Nieuwkerk presteert het in hetzelfde NRC-artikel te klagen dat politici zouteloos zijn en geen persoonlijkheid hebben. Je zou denken dat een presentator van de publieke omroep beseft dat persoonlijkheden optreden in het theater en niet in Den Haag – ondanks dat politiek ook een vorm van theater is.

Als je je conformeert aan voorlichters van politici, moet je het lef hebben om toe te geven dat je voor de politicus werkt en niet voor de belastingbetalende kijker. Hoewel het besef dat Van Nieuwkerk voor de kijker werkt, in plaats van voor zichzelf, niet tot hem lijkt te zijn doorgedrongen. Klagen is zoveel makkelijker.

Komen we bij de volgende kwestie: de duiders. Wat een armoe is het als je cabaretier in je programma moet laten opdraven om politiek te duiden. Mannelijke cabaretiers nota bene. Bart Chabot, Jan Jaap van der Wal en Dolf Jansen over politiek; nou vooruit. Maar wat is er mis met Sanne Wallis de Vries, Claudia de Breij, Sara Kroos, Tineke Schouten, Lenette van Dongen, Brigitte Kaandorp? Ze trekken stuk voor stuk vollere zalen dan Jan Jaap of Bart. Ik waag even een gokje: ze zijn vrouw, zien er niet uit als Doutzen, maar het belangrijkste: ze zijn cabaretier – net als die mannen.

Uiteraard heb ik een rondje gebeld met de dames. Degenen die ik te pakken kreeg, zeggen zonder uitzondering gebeld te worden, maar niet om over politiek te komen praten. Sara Kroos zegt er weinig verstand van te hebben: „Als je geen politiek geëngageerde cabaretier bent, vraagt men je daar niet voor, het is niet mijn genre. Daarom zit ik er niet, niet omdat ik een vrouw ben.” Sanne Wallis de Vries zou „serieus overwegen om mee te praten over een politiek voorval”, maar het gebeurt bijna nooit.

Claudia de Breij wordt wel eens gebeld naar aanleiding van een tweet. Daar komt ze niet voor opdraven, want „dat vind ik zelf te mager om een kletspraatje over te houden”. Ja, redacteuren, daar hoor je het. Jullie regelen kletspraatjes. Vrouwen willen best komen hoor, maar niet voor kletspraatjes.

Het resultaat is dat praatprogramma’s zichzelf gedegradeerd hebben tot het doorgeefluik van Den Haag. De vraag is of het anders kan. Zonder twijfel, maar dat komt de dames en heren programmamakers niet goed uit. Out of the box-denken is niet hun forte. Er zijn zoveel journalisten die regelmatig zélf contact hebben met politici, omdat het hun vak is ze te interviewen.

Ook ik heb de mazzel dat ik op zeer regelmatige basis ministers spreek, niet alleen voor Metro maar ook voor Libelle. Tijdens het Libelle Nieuwscafé mogen lezeressen in een College Tour-achtige setting de vragen stellen. Natuurlijk willen voorlichters op voorhand ‘de vragen’. Weet je wat het antwoord daarop hoort te zijn? „Jouw minister is de baas van dit land. Als die geen vraag uit zijn hoofd kan beantwoorden, verdient hij die baan niet.” Het interview zelf, in gezelschap van de lezeressen, is telkens weer een feest om te doen. Geen vraag is voorbereid, laat staan goedgekeurd. En toch staan politici in de rij om naar het Libelle Nieuwscafé te komen. Evenals de pers, want: eindelijk ‘ns een onverwachte setting.

Tot slot: er zijn legio duiders, noem ze journalist, columnist, die het beter weten dan cabaretiers en Peter R. de Vries – want wanneer spreken die Rutte, Dijsselbloem en al die andere ministers? Jan Roos, Chris Aalberts, Annabel Nanninga, René van Leeuwen, en ja, ook ikzelf weten meer dan welke cabaretier dan ook uit zijn duim kan zuigen. Maar wij zijn niet welkom, omdat de presentatoren een hekel aan ons hebben. Of ons verbaal te krachtig vinden.

En daar ligt precies de crux: praatprogramma’s draaien niet om het informeren van de kijkers, maar om de ego’s van de presentatoren, die het gezelliger kletsen vinden met hun mannelijke inner circle dan met iemand die wél geïnformeerd is.

Eindredacteuren als Herman Meijer van Pauw komt het beter uit om te klagen dat politici en vrouwen ‘niet willen’ dan dat ze dát toegeven.

Happy Kijkcijfers!