Column

Roofvogels

Georgina Verbaan

Er zit water in mijn oor als ik weer boven kom. Ik zwem naar de steiger. Door de stand van de zon is de steiger slechts een silhouet. Uit zwarte schimmen klinkt Italiaans gekwetter. Meisjes. Bijna-tienermeisjes. Ze doen wat meisjes uren lang kunnen doen; op verschillende manieren het water in springen en er zo goddelijk mogelijk weer uit oprijzen. Iets wat beter lukt wanneer ze het niet proberen maar met plezier haast maken om er weer in te duiken. Prachtig zijn ze. Dat mag je als man vast niet opschrijven, dus doe ik het maar, want het is zo. De ongebutste lijven die als zo’n platte zak magnetronpopcorn heel langzaam zijn begonnen met opbollen. Kleine blonde haartjes op hun gebruinde huid. Ze zitten overduidelijk in dat onhandige stadium waarin ze ’s avonds misschien nog wel eens stiekem postkantoortje spelen, alleen op hun kamer, of nog weleens huilen omdat ze er inmiddels van doordrongen zijn dat knuffels niet praten. Nooit niet. Niet als je slaapt, ook niet na smeekbedes waarin je jezelf ten einde raad langs je levensgrote Justin Bieber-poster op de grond hebt laten zakken. „Praat met me, klootzak!” De domme dooie grimas waarmee Lappie je met zijn ene loshangende oog aankijkt knipt dan voorgoed een van je grootste zekerheden door. Knuffels luisteren niet eens.

En de roofvogels staan al met een sigaret in de mondhoek klaar, om de nog knipperende kuikens uit het nest te sleuren. Verder op de steiger staat, hangt en poseert namelijk een clubje jongens, allemaal iets ouder. Ze kijken naar de meisjes. Sommige meisjes hebben het door, maken bewegingen met de hand door het haar. Onwennig. Een experiment. Anderen duiken lustig door, gegiechel. Ik ben bijna bij het trapje. Voor me klimt een van de meisjes de steiger op. Ze doet het als een zeemeermin, kijkt tersluiks naar het groepje roofvogels. Experiment. Ze kijken terug, ze houdt haar denkbeeldige buikje in en stort zich weer op haar vriendinnen. Ik zou de roofvogels willen slaan, met hun stomme sigaret. Laat ze met rust, ze begrijpen niet wat jullie zien.

Ik hijs mijn lijf de steiger op. Een oud meisje. Als mijn dijen de steiger raken klinkt een klotsend geluid. Even daarvoor hadden drie glazen Lugana en wat woorden met een heerschap mij het Comomeer ingedreven. Maar waar beter woorden met een heerschap, hadden de glazen geredeneerd, dan aan het Comomeer? Ook oude meisjes spelen soms nog graag stiekem postkantoortje.