‘Oezbeken en Tadzjieken: Ruslands Turken en Marokkanen’

Arnon Grunberg rijdt met de Afghaanse voormalige asielzoeker Qader Shafiq van Nijmegen naar Kabul voor familiebezoek.

Het Toergenjev-museum in Orjol, een stad zo’n 350 kilometer ten zuiden van Moskou, ligt verscholen in een onaanzienlijk gebouw. Een dame bij de receptie zegt, nadat ze ons gevraagd heeft waarvoor we eigenlijk komen, dat de toegang vandaag gratis is.

Zoals ik me herinner van schrijversmusea in Moskou heeft de tijd ook hier stilgestaan. Hier is de consument nog vijand. Wie het Russisch niet beheerst is verloren, maar mijn reisgenoot Qader is een uitstekende tolk.

Een dame van het museum staat vooral stil bij de schoonheid van Toergenjev. Ook wijst ze ons op een foto van Maria Nikolaevna, de zus van Tolstoj. Naar het schijnt was ze smoorverliefd op Toergenjev en hij op haar. Hij moet over haar gezegd hebben: ‘Ik was bijna niet verliefd op haar geworden.’

Maria Nikolaevna had een ongelukkig huwelijk en eindigde haar leven als een non. Met deze anekdote wordt de rondleiding beëindigd.

Vandaag wordt de verjaardag van Orjol gevierd; er zijn in deze contreien veel steden jarig in augustus. In Wit-Rusland hadden we ook nog iets van de verjaardag van Brest meegemaakt.

Op een gebouw staat in grote letters: ‘Onze mooie stad is jarig.’

Een kebabverkoper in een park wordt door Qader meteen herkend als Oezbeek. Hij zegt: „De Oezbeken en Tadzjieken zijn de Turken en Marokkanen van Rusland.”

Aangezien we in de Zwarte of Kaspische Zee willen zwemmen en Qader zijn zwembroek is vergeten kopen we in een winkel die in het Westen een ‘uitdragerij’ zou worden genoemd een zwembroek.

De verkoper blijkt ook een Afghaan te zijn, genaamd Rohalina. Hij is net gevlucht uit Mazar-i-Sharif en met zachte stem raadt hij ons aan niet naar die stad te gaan.

Het is laat in de middag als we ons klaarmaken om de weg naar het zuiden te vervolgen.

Tegen de receptioniste van het hotel, die een kroontje op haar hoofd draagt, zegt Qader: „Mag ik iets bij u achterlaten?”

„Natuurlijk”, zegt ze. „Wat?”

„Mijn hart”, antwoordt Qader.

Ze kijkt hem vertederd aan.

„Je bent een romanticus”, zeg ik tegen hem.

„Ik ben een socialist, ik geef mijn hart, want dat is het enige wat gratis is.”

„Als dat socialisme is, wil ik ook wel socialist zijn”, antwoord ik.

Meteen daarop zegt Qader: „Ik moet ergens onderweg nog een stofzuiger voor mijn moeder in Kabul kopen, want ik heb beloofd een stofzuiger voor haar mee te nemen.”

Wordt vervolgd