Kijk, daar ligt je moeder

Dertig jaar later bezoekt schrijver Aukelien Weverling de pretparken van haar jeugd. Wat blijft er van over door volwassen ogen? En hoe beleeft deachtjarige Rafael ze nu?

Vandaag: Dolfinarium.

Foto Niels Blekemolen

Ooit zag ik in de zee van Marmara dolfijnen zwemmen. Ze maakten boogjes boven het water en iedereen liep naar de branding en riep ‘Yunus, yunus!’ wat zoveel wil zeggen als ‘Dolfijn, dolfijn!’. Die spontane ontmoeting tussen mens en dolfijn was een symbool voor vrijheid.

Van het Dolfinarium Harderwijk uit 1984 herinner ik me vooral de drukte. Ik tussen duizend benen. En dat ze een orka hadden: Gudrun. Een machtig beest dat met zijn vlijmscherpe kaken soepel door het water zwom. Ik las in die tijd voornamelijk het clubblad van het Wereld Natuur Fonds, de TamTam, en die hadden een lang stuk gewijd aan de orka. Zodoende wist ik dat die beesten hoog intelligent zijn en aan de top staan van de voedselketen. Eigenlijk bedreigt alleen de mens de orka. En van alle mensen eigenlijk alleen de mensen die ze vangen voor dolfinaria. Gudrun is inmiddels overleden, maar de drukte in Harderwijk is er niet minder om. Als sardientjes in blik staan we in imitatie-amfitheaters.

„Ik kon wat die trainer zei over de zeeleeuwen niet goed verstaan”, zegt Raf. „Hij zei dat de zeeleeuwen het heerlijk vinden om voor ons op te treden omdat ze dan gelijk medisch gekeurd worden en daar zijn zeeleeuwen volgens hem dol op”, vertel ik. „O”, zegt Raf. „Wat raar”. Het is raar, maar het Dolfinarium is ook een rare plek. Opgericht in 1965 om het Nederlandse volk respect bij te brengen voor mythische zeezoogdieren, anno 2015 een park waar je met een timetable shows afloopt terwijl je slurpt aan een Slush Puppie. „Kijk, daar ligt je moeder”, zegt een man terwijl hij naar een walrus wijst. Hij is niet de eerste en niet de laatste die we deze grap horen maken.

We zien walrussen klappen en bruinvissen tegen een bal springen. En niemand lijkt het raar te vinden dat ze in het Roggenrif de vissen mogen aaien. Terwijl als je gaat eten bij iemand en beleefd zegt: „mooie goudvis”, het antwoord zelden is: „je mag hem wel aaien hoor”.

Klapstuk is de dolfijnenshow Aqua Bella. Daar stroomt een halve Ziggo Dome vol met vrouwen in verschoten capribroeken en mannen in polo om samen met hun jengelend grut dolfijnen te zien springen op teringherrie. Achter me zit een vrouw die ondersteunende audio verzorgt alsof ze tussen een groepje blinden zit: „Kijk Marcel, nu gaat-ie de lucht in, oh nu raakt hij de bal, o nu is hij weer in het water. Nu zijn het er twee. Drie. Wat een grote vissen zijn dat, hè?” Dat iemand na een halve dag Dolfinarium een dolfijn toch nog steeds een vis noemt, zegt in het gunstigste geval iets over de aangeboden educatie. In het ongunstigste geval suggereert het dat wat in het water ligt wellicht intelligenter is dan wat er op de tribune zit. Als we naar buiten lopen zegt Raf ernstig: „Dit was erg mooi, vooral toen die dolfijn zo hoog sprong naar die bal. Maar eigenlijk doen dolfijnen dat niet in het echt, toch?” Ik schud mijn hoofd: „Nee, nooit. Wilde dolfijnen hebben geeneens een bal, laat staan een trainer en ze leven zonder medische keuring, net als alle andere wilde dieren.” Raf aarzelt: „Misschien is het wel beter om ze vrij te laten, wat ik wel jammer vind omdat je ze dan nooit meer echt van dichtbij kunt zien.” Ik strijk hem over z’n haren: „Weet je, soms is iets mooier van een afstand. Ongerepter. Echter.”