Kabinet heeft zich verkeken op de onvrede bij de politie

De politie heeft het onvervreemdbare recht om actie te voeren, als de vakbonden, gesteund door hun leden, hun eisen voor een betere cao kracht willen bijzetten. Dat dan het moment kan komen waarop acties ‘publieksonvriendelijk’ worden, is logisch. De politie is een publieke, dienstverlenende organisatie; dus al gauw zullen burgers en bedrijven de gevolgen ondervinden van haar acties.

En organisaties als de KNVB, die zich dit weekend bij het begin van de voetbalcompetitie geconfronteerd ziet met het uitstel van vijf wedstrijden in de eredivisie. Vervelend, lastig, maar niet onoverkomelijk. En het gaat hier uiteraard niet om een besluit van de politie, maar van burgemeesters die vrezen voor wanordelijkheden buiten de stadions nu de politie daar dienst weigert. Als voetbalsupporters zich beter hadden gedragen, zouden burgemeesters zich niet genoodzaakt voelen een wedstrijd te verbieden. Dat er toch enkele wedstrijden doorgaan zonder politieassistentie, is een interessant experiment. Kan het, met meer inzet van beveiligers die de clubs inzetten, ook zonder of met minder politie?

Al maanden voert de politie acties, die nu in intensiteit toenemen. Duidelijk is dat het kabinet zich heeft verkeken op de onvrede die er in het korps heerst. Hetzelfde geldt trouwens voor de overkoepelende vakcentrales. Op 9 juli sloot het kabinet met drie van de vier centrales een overeenkomst, die materieel voorzag in een loonsverhoging van ruim 5 procent. Een raamakkoord dat politieagenten, onderwijzers, militairen, rechterlijke macht en rijksambtenaren betrof, maar nog lang geen cao voor deze afzonderlijke sectoren was. Het was al een veeg teken dat de FNV er niet aan meedeed. Hoezeer premier Rutte ook sprak van „een mooi akkoord” en hoezeer minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) ook meende dat een „(soms) jarenlange impasse” was doorbroken. Quod non.

De politie heeft te maken met een andere, en betrekkelijk nieuwe minister, die van Veiligheid en Justitie: Van der Steur (VVD). De bonden hebben hem een gele kaart gegeven, wat hem niet heeft verhinderd zelf ook de hakken in het zand te zetten: hij zegt geen kans te zien om op zijn begroting meer geld vrij te maken voor hun wensen. De minister meent dat de salarissen bij de politie niet zo slecht zijn. Hij rekende voor dat 85 procent van het politiepersoneel een modaal inkomen (35.000 euro per jaar) of hoger heeft; een hoofdagent die het maximum verdient, zit daar bijna 20 procent boven.

Maar de eisen van de politiebonden zijn maar voor een deel materieel, zoals toeslagen voor onregelmatige werktijden en piketdiensten, waarvan de minister zegt dat ze al in het hogere basissalaris zijn verdisconteerd. De onvrede betreft vooral de werkomstandigheden, zaken als loopbaanbegeleiding, vrije weekends, de mogelijkheid om gelet op de zwaarte van het vak eerder met pensioen te gaan. Het hoeft niet te verbazen als veel van de wrevel onder de werknemers voortkomt uit de moeizame reorganisaties die het gevolg zijn van de vorming van de Nationale Politie.

De minister streeft naar een modernisering van de cao, en dat is niet uitzonderlijk. Dat is in het bedrijfsleven ook gaande, waarbij het niet meer vanzelfsprekend is dat werken op afwijkende tijdstippen per definitie als ‘onaangenaam’ geldt en waarin meer naar het individu dan naar diens leeftijd wordt gekeken.

Het zijn meningsverschillen tussen werkgever en werknemers die niet onoverbrugbaar lijken. Laat ze om de tafel gaan zitten, of desnoods een bemiddelaar te hulp roepen die de impasse doorbreekt.