In Indonesië komt de hulp nu ook van anderen

Den Haag steunt in Indonesië het liefst projecten die Nederlandse ondernemingen ook ten goede komen.

De sprieterige windmolens op een heuvel op het Indonesische eiland Sumba imponeren niet. Toch is de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Hivos bijzonder trots op het windparkje. Samen met de Indonesische stichting Ibeka wil Hivos elektriciteit (zonnepanelen, windmolens, waterkracht) brengen naar een van de armste en meest afgelegen Indonesische eilanden, waar bewoners buiten de grote dorpen geen elektriciteit hebben.

Tijdens een bezoek van deze krant aan Sumba vorig jaar waren de boeren tevreden. Nog steeds waren ze arm, maar met een waterpomp op zonne-energie konden ze hun gewassen besproeien, en vaker oogsten. Ook konden een paar rijkere dorpshoofden eindelijk een schotelantenne en breedbeeld-tv aanschaffen.

Zonder de 416.039 euro van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken had Hivos het moeilijker gehad om de bewoners van Sumba aan elektriciteit te helpen. Dan hadden de ontwikkelingswerkers naar nog meer donoren moeten zoeken, zoals de Frans-Iraans-Amerikaanse eBay-oprichter Pierre Omidyar. Van hem kreeg Hivos al geld voor een ander project in Indonesië. Of van buurland Australië, dat jaarlijks tien keer zo veel aan ontwikkelingshulp in Indonesië uitgeeft als Nederland.

Dat zijn nu de verhoudingen. Nederland gaf vorig jaar 27,5 miljoen euro uit aan ontwikkelingsprojecten in Indonesië, Australië 336,3 miljoen euro . En Japan groeide uit tot grootste bilaterale donor. In 2013 (meest recente cijfers) besteedde Japan er 558 miljoen euro.

Diepzwart asfalt

De cijfers bevestigen wat je reizend ook ziet: de tijd dat Nederlandse ontwikkelingshulp hier domineerde is voorbij. Naast nieuwe wegen van diepzwart asfalt pronkt een Australisch vlaggetje. Bij een aardbevingsbestendige schuilplaats in Banda Atjeh erkent een plakkaat Japanse gulheid.

Het Nederlandse geld dat nog naar Indonesië vloeit, gaat vooral naar gespecialiseerde organisaties, zoals de 2,5 miljoen euro aan een project om de Indonesische rechtsstaat te verbeteren, uitgevoerd door de in Den Haag gevestigde International Development Law Organization. Universiteiten krijgen geld, zoals Wageningen dat bijna drie miljoen euro ontvangt voor verschillende landbouwprojecten in Indonesië. Ook het bedrijfsleven wordt bedeeld, zoals de twee miljoen die de ingenieurs van DHV (onderdeel van HaskoningDHV) krijgen voor een schoon-waterproject.

De baai van Jakarta stinkt. Toch gelooft minister Ploumen dat de baai kan uitgroeien tot het schoolvoorbeeld van hoe Nederlandse ontwikkelingssamenwerking moet werken, in coalitie met het Nederlandse bedrijfsleven. Nederland heeft miljoenen uitgegeven om Nederlandse ingenieursbureaus in samenwerking met Indonesische instanties een masterplan te laten maken voor kustbeveiliging, landaanwinning en de bouw van een nieuwe stad op het water in de vorm van een vliegende Garuda, een mythologische vogel en het nationale symbool van Indonesië.

Als het plan uitgevoerd wordt, kan het tientallen miljarden euro’s opleveren voor Nederlandse baggeraars (Van Oord en Boskalis), ingenieurs (Witteveen+Bos, HaskoningDHV) en kennisinstuten als Deltares.

Het is echter zeer de vraag of het ‘Dubai van Jakarta’ echt gebouwd wordt. President Joko Widodo heeft gezegd dat hij de bouw van luxe-appartementen geen prioriteit vindt. De gouverneur van Jakarta twijfelt of de door Nederland voorgestelde oplossing wel zal werken en heeft zijn oor te luisteren gelegd in Japan en Zuid-Korea. Hij hoopt dat Japanse, Zuid-Koreaanse of Chinese tegenvoorstellen meer bevatten dan slimme ingenieurs. Zo werd deze week bekend dat Japan interesse heeft om een hogesnelheidslijn aan te leggen tussen Jakarta en Bandung. Niet alleen is Japan bereid de Shinkansen-technologie naar Indonesië te verschepen, ook wil Tokio wel driekwart van de ontwikkelings- en aanlegkosten (3 miljard dollar) betalen als Japanse bedrijven aan de slag mogen. Zoveel geld heeft Ploumen niet te besteden in Indonesië.