Hulp blijft voorlopig gewoon nodig

Een forse ontslagronde is het gevolg van de bezuinigingen op ontwikkelingshulp. En het is niet de eerste keer dat alles anders moet.

Minister Ploumen van Handel en Ontwikkelingssamenwerking op bezoek i Rwanda, in 2014.

‘We slaan nog steeds wel eens waterputten”, zegt Farah Karimi, directeur van ontwikkelingsorganisatie Oxfam Novib. „In landen als Somalië, waar geen noemenswaardige overheid is, blijft dat namelijk nodig. Zonder water is er voor mensen geen overlevingskans.”

Karimi wil maar zeggen dat ze daar trots op is, ondanks het feit dat dergelijke ‘klassieke ontwikkelingshulp’ in Den Haag en in het land uit de mode is. Het gevolg daarvan: 55 miljoen euro die ze op haar organisatie moet bezuinigen, 75 te schrappen banen (van de 325 banen in Den Haag) en stopzetten van projecten in Soedan, Bangladesh, Rwanda en Zimbabwe.

Deze week werd bekend dat vier grote ontwikkelingsorganisaties, Oxfam Novib, Icco, Hivos en Cordaid, jarenlang de voornaamste kanalen voor de Nederlandse ontwikkelingshulp, als gevolg van in het regeerakkoord afgesproken bezuinigingen elk een kwart tot eenderde van hun staf moeten ontslaan. Een branche zo Nederlands als kaas wordt getroffen door een forse ontslagronde. Betrof het, zeg, de kunst- of welzijnssector, dan zou zoiets niet ongemerkt voorbij gaan. Maar in de ontwikkelingsbranche lijkt men de pijn liever binnenshuis te verbijten.

„Voor ons is protesteren moeilijk”, zegt Simone Filippini, directeur van Cordaid. „Zeker in het politieke klimaat dat afgelopen jaren in Nederland is ontstaan. We zouden al snel het verwijt krijgen dat we alleen maar voor onszelf opkomen, en niet voor de mensen voor wie we werken.” Filippini schrapt in Den Haag 80 van de 250 banen, en in het buitenland nog eens tussen de 13 en de 15 procent. Haar financiering gaat van 70 miljoen naar 10 miljoen per 2016, maar ze heeft goede hoop andere financiers te vinden. Ook Karimi denkt over een jaar of vier met hulp van nieuwe donoren alles weer te hebben opgebouwd wat ze nu moet afbreken. „Maar het is heel inefficiënt, elke keer die bezuinigingsschokken. Het kost veel energie en expertise.”

In het regeerakkoord van 2012 werd onder druk van de VVD afgesproken 1 miljard te bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking. Trade and Aid, handel en hulp, is nu het nieuwe mantra. Succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland is een van de drie doelen van het huidige ontwikkelingsbeleid - de andere twee zijn het uitbannen van armoede en duurzame groei.

En dus reist minister van hulp en handel Lilianne Ploumen (PvdA) onvermoeibaar de wereld af met zowel snelle pakken als geitenwollen sokken in haar kielzog. „Weg met de gescheiden werelden”, zei ze in deze krant. „Als je kijkt naar effectiviteit, is de combinatie handel en hulp veel beter.”

De omslag, een decennium geleden ingezet, past bij de afnemende rol van Europa op het wereldtoneel, zegt Peter van Lieshout, auteur van een roemrucht WRR-rapport uit 2010, Minder pretentie, meer ambitie, dat de sector stevig de oren waste en de opmaat was voor het huidige beleid. „Het paternalistische dat aan ontwikkelingssamenwerking kleefde, paste niet meer. Voormalig ontwikkelingsland China liet zien dat het 400 miljoen mensen uit de armoede kon lichten, meer dan de hele ontwikkelingshulp ooit gelukt was.”

Het is zeker niet de eerste keer dat alles anders moet. „Nederland is, zeker na Jan Pronk, altijd erg gevoelig geweest voor hypes als het om ontwikkelingswerk gaat”, constateert Frans Bieckmann, die voor vakblad Vice Versa en als oprichter van een denktank over globalisering al decennia over ontwikkelingssamenwerking publiceert. „Het lijkt nog steeds of elke nieuwe minister zich tegen hem wil afzetten. Maar dat gaat gepaard met een hoop kapitaalvernietiging. Kijk naar Noorwegen, waar men al decennia bouwt aan expertise op het gebied van conflictbeheersing.”

Nederland was lang trots op het feit dat het zich als een van de weinige landen hield aan de internationale norm voor ontwikkelingshulp die de OESO in de jaren 70 afsprak: 0,7 procent van het BNP. Maar secularisering, populisme en vooral een fikse financiële crisis maakten uiteindelijk korte metten met dogma’s als internationale solidariteit en verlicht eigenbelang. Geert Wilders pleitte voor het afschaffen van ontwikkelingssamenwerking, de VVD vond een halvering genoeg. Bij de verkiezingen van 2012 bleek uit peilingen dat het merendeel van Nederland daar geen enkele moeite mee had. De norm van 0,7 procent werd in 2014 losgelaten.

„De klassieke ontwikkelingshulp zal op den duur verdwijnen”, zei Ploumen in 2013 en ook Farah Karimi geeft haar daarin deels gelijk. De wereld is nu eenmaal veranderd. Landen die vroeger tot de hoofdontvangers van ontwikkelingshulp behoorden, opereren nu zelfbewust op het wereldtoneel. „Neem Ethiopië”, zegt Van Lieshout. „Dat land kennen we van Live Aid in de jaren tachtig, het land van hongersnood. Nu groeit Ethiopië met acht, negen procent per jaar. Nederlandse bedrijven hebben er grote kwekerijen van sierplanten. Dat biedt werkgelegenheid, nog belangrijker dan groei.”

Maar betekent dan dat de wereld nu verder kan zonder westerse hulp? „Er wordt zo eendimensionaal gekeken”, verzucht Karimi. „In een land met een repressieve regering als Ethiopië komt die groei niet ten goede aan de arme bevolking.”

Ja, erkent Van Lieshout, „hulp blijft nodig, het dient een nobel doel. Maar je moet dat niet verwarren met ontwikkeling.”

Volgens Simone Filippini moet de bereidheid van bedrijven om in ontwikkelingslanden te investeren vooral niet overschat worden. „Uit mijn tijd als ambassadeur in Macedonië weet ik hoeveel overredingskracht en ondersteuning bedrijven vragen voordat ze willen investeren. Hulp en handel werkt in stabiele lage-inkomenslanden. Maar in de zeker 59 fragiele landen die geen enkele aansluiting hebben bij de wereldeconomie, blijft ons werk gewoon nodig.”

Het mes van Trade and Aid kán aan twee kanten snijden, zegt Frans Bieckmann (oprichter van globaliseringsdenktank The Broker). Maar dat spreekt niet vanzelf. „Als de groei een kleine toplaag ten goede komt, of wordt weggesluisd via financiële constructies, leidt dit model tot grotere ongelijkheid en schept nauwelijks banen.”

Waar het uiteindelijk om draait, zegt Karimi, is dat rijke landen werkelijk bereid zijn tot aanpassing van de verouderde internationale structuren die nu onrechtvaardig uitpakken voor ontwikkelingslanden. „Op een grote conferentie vorige maand in Addis Abeba, vroegen ontwikkelingslanden om een mondiaal instituut dat belastingontwijking tegen moet gaan. Maar belastingparadijs Nederland en andere westerse landen hielden dat tegen. Die houden de regie over belastingontwijking liever in het westen, bij de Oeso. Dat heeft mij enorm teleurgesteld.”

„Natuurlijk streven wij ernaar dat ons werk uiteindelijk overbodig wordt”, zegt Simone Filippini. „Maar zover is het nu nog lang niet.”