Het merg van het leven

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week aflevering 52 (slot): Henry David Thoreau’s Walden; or, Life in the Woods

Illustratie Marike Knaapen illustratie marike knaapen

‘Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had.’

Aldus Henry David Thoreau in de vertaling door Anton Haakman van Walden; or, Life in the Woods (1854), zijn invloedrijke maar vooral indrukwekkende verslag van een tweejarige retraite aan Walden Pond, Massachusetts. ‘Ik wenste niet te leven wat niet het leven was, leven is zo kostbaar […] Ik wilde het leven diep doorleven en alle merg eruit zuigen, […] om het leven in een hoek te drijven en het terug te brengen tot het geringste wat het vereiste en, als het minderwaardig bleek te zijn, dan ook de hele, ware minderwaardigheid ervan te ervaren en de wereld te laten weten hoe minderwaardig het is; of om het, als het subliem zou zijn, uit eigen ervaring te leren kennen en in staat te zijn er een waarachtig verslag van te doen in mijn komende reisverslag.’

Ik weet nog goed hoezeer ik meegesleept werd door Thoreau’s woorden toen ik ze voor het eerst las, nu bijna dertig jaar geleden. Dat wilde ik ook, in mijn uppie midden in de natuur gaan wonen, ‘volledig self-supporting’ in de woorden van Walter de Rochebrune; je eigen hut bouwen, je eigen groenten telen, het leven zo puur leven als mogelijk was. Natuurlijk kwam er niks van terecht; drie weken kamperen in de Franse zomer, met een douche en een wc op loopafstand, was het dichtst dat ik bij de natuur kwam. Het dichtst bij Walden kwam ik toen ik een paar jaar na de overrompelende leeservaring een bedevaart maakte naar Walden Pond bij Concord. Het meer was veel kleiner dan ik me had voorgesteld, de natuur minder imposant; en de gids vertelde met veel smaak hoe Thoreau bij bittere kou of bijtende honger even langs ging bij zijn vrienden in Concord om bij te komen van the life in the woods.

Toch zou ik nooit helemaal bekomen van mijn Thoreau-liefde. Zijn beroemde citaat, dat ook een belangrijke rol speelt in het Robin Williams-vehikel Dead Poets Society (1989), heeft dan ook vaak door mijn hoofd gespeeld tijdens het schrijven van de afleveringen voor Lezen met ALS. In mijn romantische verbeelding was dat precies wat ik aan het doen was: ‘to drive life into a corner and reduce it to its lowest terms’; te noteren wanneer het bestaan als ten dode opgeschreven patiënt minderwaardig was (niet zo vaak, gelukkig) én wanneer het subliem was (niet zo vaak, jammer genoeg); er verslag van doen in een wekelijkse column die de lezer zou laten mee beleven wat het is om ziek te zijn.

Net als Thoreau, die in Walden een liefdesverklaring opnam aan de klassieken (‘de enige orakels die niet in verval zijn geraakt’), verbond ik mijn ervaringen aan boeken die ik me herinnerde en herlas. Soms was het een detail uit een roman dat me aan het denken zette, zoals het locked-in-syndroom van een grootvader uit De graaf van Montecristo, soms een hele roman, zoals De Toverberg van Thomas Mann, die vrij precies verwoordde hoe ik me voelde toen ik twee weken op de intensive care lag. In andere gevallen zetten romans of gedichten me ertoe aan om te schrijven over sterfelijkheid, levenskunst, aftakeling, euthanasie, nostalgie, schuldgevoel, praktische problemen en de liefde die het belangrijkst is.

Toen ik anderhalf jaar geleden met deze columns begon, dacht ik dat ik er 13, hoogstens 26 zou schrijven. Ik koesterde zelfs het zwart-romantische idee dat ik in het harnas zou sterven – iets dat gelukkig niet gebeurde. Hoeveel uitvalsverschijnselen ik ook kreeg, mijn vingers bleven het goed doen; hoezeer de moeheid ook toesloeg, over een week genomen waren er genoeg uren die ik productief kon maken. En de onderwerpen bleven komen. Maar nu, na 52 afleveringen, zijn ze wel zo’n beetje op. Mijn uithoudingsvermogen wordt elke week iets minder, maar daar heb ik vaak genoeg over geschreven. De ALS-gerelateerde verlammingen en krampen nemen toe, maar dat is ook geen nieuws. Over bijna elk fysiek en psychisch aspect van mijn ziekte heb ik wel mijn zegje gedaan. De gang naar de tandarts zal ik u besparen, ik zou er trouwens geen boek bij kunnen verzinnen.

Zelfs aan afscheid nemen heb ik een column gewijd – aan de hand van de liedteksten van Jacques Brel, want de wereldliteratuur omvat meer dan romans en dichtbundels. Zodat ik met een gerust hart een einde kan maken aan Lezen met ALS, onder dankzegging voor alle reacties die ik van mijn lezers heb gehad en met een laatste inspirerend motto uit Thoreau’s Walden:

‘Of het nu om leven gaat of om dood, wij vragen alleen om werkelijkheid. Als we werkelijk op sterven liggen, laat ons dan de kou in onze uiterste ledematen voelen; als we leven, laten we ons dan aan onze taak wijden.’