‘De meeste dingen gebeuren gewoon’

Wie een kort verhaal leest moet zelf aan het werk, vertelt schrijver Sanneke van Hassel bij een bulgursalade. Tien jaar geleden debuteerde ze. „Ik schrijf tweehonderd woorden per dag.”

Sanneke van Hassel (43) schrijft korte verhalen, ze is er heel goed in. Haar bundels krijgen steevast prachtige recensies en haar uitgever, De Bezige Bij, heeft net een bloemlezing uit haar eerdere werk laten samenstellen om te vieren dat ze tien jaar geleden debuteerde, De ochtenden. Een eer die schrijvers gewoonlijk pas te beurt valt als ze oud en der dagen zat zijn.

Maar erg bekend is ze niet. Ja, in Rotterdam, waar ze geboren is, en woont, en van alles doet in het literaire leven. Daarbuiten vooral bij de liefhebbers. Daarom eerst een kleine introductie op haar werkwijze. Kijken we naar de eerste regels van het verhaal ‘Vijf miljard jaar’.

„Op sommige dagen spreekt Cheng alleen bouwvakkers. Na de slopers, ruwe kerels die nooit om een servetje vragen, komen de mannen van beton en staal. De stukadoors, met hun afgematte lichamen, zijn het rustigst. Als de klus bijna af is, kletsen de schilders hem de oren van het hoofd. De laatste tijd ziet hij ook die niet meer. Eigenlijk is er maar één klant op wie hij kan rekenen. Zij bestelt alleen thee.”

Hoeveel uitleg wilt u? Hier wordt in een paar zinnen de neergang van Chengs loempiakar beschreven. Er is een vage toespeling op een mogelijke, ja, wat eigenlijk? Liefdesrelatie? In elk geval, je moet wel een heel koele zijn als je niet wilt doorlezen.

We hebben afgesproken in ’t Gemaal op Zuid, een wijkkeuken bij het Afrikaanderplein in Rotterdam waar op woensdag en zaterdag als er markt is, gekookt wordt door buurtbewoners. Niet dat Sanneke van Hassel in de buurt woont, (ze woont in Kralingen), maar ze houdt van Zuid, zegt ze, en ze doet er binnenkort een project, iets met verhalen over water. De kokkin van vandaag is van Libanees-Palestijnse herkomst en ze serveert ons taboulé van bulgur met heel veel peterselie, zelfgemaakte falafel en twee soorten tapenade: aubergine en spinazie. Daarbij Marokkaans brood, wit en volkoren, en een kan water met blaadjes munt. Lekker, ja. Acht euro vijftig per persoon.

Ze is net terug van vakantie. Italië, kamperen in de bergen, met haar vriend – „geregistreerd partner” – en hun twee zoontjes, acht en twee, Jan en Ko, en zijn dochter van veertien, Vina. Geen internet, wel een beekje en vijfhonderd soorten wilde bloemen. „Het zit in me om buiten te zijn”, zegt ze. „Ik wil dat mijn kinderen het ook kunnen.” Helaas schrokken die al van een vlieg in de tent. „Een vlíeg.” Ze lacht er opgewekt bij. Eigenlijk lacht ze bij alles, het hele gesprek door, opgewekt en licht spottend.

Hoe ze schrijfster van korte verhalen is geworden? En van een roman trouwens, Nest – opgebouwd uit korte verhalen. (Over een meisje van zestien, keurig gezin, dat een kind krijgt.) Zo: gymnasium, Theaterwetenschap en Cultuurgeschiedenis, deels in Utrecht, deels in Parijs, eerste serieuze baan bij het toneelspelersensemble ’t Barre Land, dramaturgie en publiciteit, en op haar vrije woensdagen de Schrijversvakschool. Ja, waarom. Gewoon. Omdat ze altijd al verhalen verzon en graag „de makerskant” op wilde. En toen de droom van menig would be schrijver (alleen in Nederland zijn dat er al een miljoen): de docent die zo enthousiast was over een van haar eerste verhalen dat hij het naar het literair tijdschrift Tirade stuurde. Meer verhalen, uitgevers die belden, de directeur van De Bezige Bij die aan zijn redactie vroeg „of ze al gecontracteerd was”. Het lijkt haar nog steeds te verbazen.

Sanneke van Hassel staat erom bekend dat ze eindeloos slijpt en vijlt aan haar verhalen, dat kun je aan dat voorbeeld van de Chinese loempiaverkoper goed zien, en ik wil weten hoe lang ze over die paar regels gedaan heeft. „Nou”, zegt ze. „Ik vind het begin altijd moeilijk, dus waarschijnlijk heel lang. Het einde vind ik gemakkelijk, maar dat begin – ik denk dat ik het wel honderd keer herschreven heb.”

Dat gaat dan zo. Ze heeft een idee, meestal iets kleins dat ze onderweg heeft gezien, in dit geval een mobiele snackkar zonder klanten tegenover de uitgang van het metrostation Maashaven, ze verzint de personages en gaat schrijven, tweehonderd woorden op een dag, misschien een keer vijfhonderd woorden, nooit meer. (Het verhaal dat u nu leest telt 1.600 woorden.) De volgende dag kijkt ze ernaar. Staat er wat er moet staan? Kan dit er niet uit, moet dat er niet in? Is het wel het beste woord op deze plek? Zijn de stemmen zuiver? Klopt het ritme? En dat dus eindeloos. „Het geeft me enorm veel voldoening”, zegt ze. (Van haar boeken alleen kan ze niet leven, ze verdient ook geld met freelance schrijfopdrachten.)

In Italië waren ze een dagje aan de kust, het viel haar op dat ze gemakkelijk konden parkeren. Hé, een paar jaar geleden niet en nu wel, hoe kan dat? Er is een enorme pizzeria, helemaal leeg, een vrouw zit aan een tafel met papieren kleedjes te wachten op klanten die niet komen. „Dan heb je al een verhaal.” Verder niets nodig? „Jawel, dus dat ga ik dan verzinnen.” Wil ze het hebben uitgedacht voordat ze gaat schrijven? „Nee, ik begin gewoon, en meestal denk ik op tweederde: nu moet er iets gebeuren.”

Geen plot

Dat ‘iets’ is bij haar eigenlijk altijd iets kleins, iets toevalligs, iets dat helemaal niet lijkt op de plot die je in een verhaal van een andere schrijver zou verwachten. En dat heeft te maken met hoe Sanneke van Hassel tegen de wereld aankijkt. De meeste dingen gebeuren gewoon, je kunt er weinig aan doen. De ene dag gaat het zo en de andere dag gaat het weer anders. Ze is niet zo geïnteresseerd in de psychologie van haar personages, des te meer in de omstandigheden waarin ze verkeren en waardoor ze worden beïnvloed, zonder dat ze zich er altijd van bewust zijn, net als in het gewone leven. „Je bent in de tijd geworpen”, zegt ze.

De Duitse satiricus en toneelschrijver Christian Dietrich Grabbe (1801-1836) zei het zo: „Ben je eens op de wereld, blijk je loodgieter in Detmold te zijn.” Deze bijna gelaten levenshouding is, denk ik, precies waar Sanneke van Hassel uitdrukking aan geeft in haar werk.

Van Hassel praat intussen door, nu over een verhaal van haar dat een keer in het literaire tijdschrift Bunker Hill stond en kortgeleden opnieuw werd afgedrukt in de Volkskrant. „Het was een opdracht”, zegt ze. „Een Edgar Allan Poe-achtig verhaal moest het worden, dus er moest iets ergs gebeuren. Het gaat over een crècheleidster van de oude stempel die het moeilijk vindt dat er nu ook leidsters zijn met een andere afkomst dan zij. Ze spreken niet zo goed Nederlands, of ze ruiken naar ander eten, of ze zijn te lief voor de kinderen. Je ziet dat wel, hè, in kinderdagverblijven. Die oudere leidster ergert zich ook aan kinderen die verwend zijn en heel hard schreeuwen om hun zin te krijgen. Ik heb toen verzonnen dat ze een van die kinderen in de bezemkast opsluit. Het kind is daarna vermist, en zij zegt niks, en als uren later de kast wordt opengemaakt, heeft ze een fles bleekwater leeggedronken. Of er in elk geval een paar slokken van genomen. Mensen vinden dat een goed verhaal, spannend. Maar ik vind het niet spannend. Het gaat mij niet om de plot, om wat er gebeurt, het gaat me om die vrouw, om de spanning tussen haar en de sterk veranderde stedelijke omgeving.”

We praten over haar ouders – vader advocaat, moeder jurist bij de gemeente – en over haar zusje, dertien maanden jonger dan zij, rechter in Amsterdam. Een fijne jeugd, altijd iemand om mee te spelen. En ze konden spelen met niks. Het valt haar op hoe moeilijk kinderen dat soms nog kunnen. Neem haar zoon van acht, Jan. Komen ze terug van vakantie en wat heeft hij het meest gemist? Clash of Clans, op de iPad. „Ik snap het wel, je kunt hele werelden bouwen, met je vriendjes, maar ik vind het ook erg. Het is zo dwingend. Beeld kan zo bepalend zijn, alles is al voor je bedacht. Ik houd van literatuur omdat je het verhaal zelf maakt, in je hoofd. Ga ik naar een film van Lars von Trier, drie uur lang, zó’n scherm, dwingende muziek, ik word daar boos van. Mag ik zelf ook nog wat doen?”

Het NOS Journaal, de dag voor dit gesprek. Alphen aan den Rijn, schokkerige beelden van twee kranen die omvallen, op de achtergrond het gegil van een vrouw die het ziet gebeuren. „Blijkbaar”, zegt Sanneke van Hassel, „kunnen ze niet meer gewoon zeggen: er zijn twee kranen omgevallen. Nee, er moet sensatie bij, we moeten voelen hoe erg het is.” Maar bij zoveel overdaad voelt zij niets meer.

Tegen haar kinderen is ze best streng, zegt ze. Ze mogen niet de hele tijd op de apparaten. „Vervolgens gaan ze zich vervelen en dan gaan ze iets verzinnen. Ik weet het ook niet hoor, of dat beter is, maar mijn verstand zegt...” Ze maakt haar zin niet af en gaat door met deze: „Ik denk, als schrijver, je bent toch hoeder van...” Die maakt ze ook niet af. Dan: „Er wordt wel tegen me gezegd dat het maar goed is dat ik korte verhalen schrijf, daar kunnen mensen nog wel tijd voor vinden. Maar ik denk: voor korte verhalen moet je een geoefende lezer zijn, er wordt veel minder uitgelegd.”

Alsof ze een grap vertelt: „Mensen zijn gevormd door Hollywoodfilms en televisieseries, met een plot, en dan krijg je opeens een verhaal van mij zonder plot, en de volgende aflevering mag je zelf verzinnen.”

Dus? Dus niks. Ze lacht.