Column

De Griekse crisis draait om Frankrijk

Na zijn aftreden zei Yanis Varoufakis, de Griekse ex-minister van Financiën, iets intrigerends over Wolfgang Schäuble: de Duitse minister zou naar een Grexit gestreefd hebben om Frankrijk „te dwingen tot verdere integratie” van de eurozone. Het zou best eens waar kunnen zijn.

Ten eerste strookt dit met Schäubles idee dat de eurozone teveel los zand is: iedereen doet maar wat, het centrale gezag is te zwak om in te grijpen – zie Griekenland. Op den duur maakt dit de munt kapot. Daarom wil Schäuble het fundament van de euro verstevigen: meer integratie. In juli zei hij al tegen Der Spiegel dat de eurozone een begroting nodig heeft en een minister van Financiën.

Ten tweede heeft Varoufakis goed gezien dat alles wat Duitsland in de eurocrisis doet of nalaat met Frankrijk te maken heeft. Dat komt doordat beide landen nu pas doen wat ze vóór de euro hadden moeten doen: werken aan een politieke en economische unie.

Dit proces gaat Europa grondig veranderen. Eurolanden moeten meer soevereiniteit aan Brussel overdragen, wat politiek moeilijk ligt. Het betekent ook een nieuwe orde in de EU: het verschil tussen ‘ins’ en ‘outs’ (niet-eurolanden) groeit en Europa moet democratischer worden. Wellicht moet het Europese verdrag ervoor worden aangepast. De Britten accepteren dit alleen als hún wensen ook worden ingewilligd. De euro duurzaam stabiliseren is kortom werk van lange adem.

Duitsers en Fransen weten dat de volgende stap onvermijdelijk is en zijn aan het voorsorteren. Ook François Hollande sprak laatst over een eurozone-budget en gouvernment économique. Frankrijk en Duitsland zitten als grootaandeelhouders van de euro achter een schaakbord. De Griekse crisis is één zet die mede-bepalend is voor het Europa dat we in de toekomst krijgen.

Frankrijk pleit in de crisis altijd voor solidariteit: groot noodfonds, eurobonds, de ECB die staatsobligaties opkoopt. Anders dan in Duitsland is hier in Frankrijk amper discussie over. Waarom? „Omdat de Fransen denken dat ze op een dag zélf van die solidariteit gebruik moeten maken”, zegt een hoge Duitse functionaris.

Juist daarom wil Berlijn geen automatisme in de eurosolidariteit en trekt het een muur van voorwaarden en regels op – inclusief goedkeuring door nationale parlementen – waaraan een land moet voldoen vóór het op die solidariteit een beroep kan doen. Hoe meer veiligheidskleppen, hoe beter.

Berlijn is daarmee niet anti-Europees of asociaal, al komt dat vaak zo over. Als één euroland weet wat delen is, is het Duitsland: het gaf de D-Mark, de sterkste munt van Europa, op voor de euro. Destijds waarschuwden veel Duitsers: „Eén munt voor landen met uiteenlopende economieën, dat gaat fout, we moeten eerst economisch en politiek integreren en dan pas de mark opgeven.” De eurocrisis bevestigt hun schrikbeeld.

Ditmaal, vindt Duitsland, moet Frankrijk maar eens soevereiniteit inleveren, door meer Europese bemoeienis met de begroting te accepteren. Paris was daar altijd te trots voor. Ook is er een trauma na het Franse (en Nederlandse) ‘nee’ bij het referendum over de Europese grondwet in 2005. Socialisten en gaullisten worden steeds eurosceptischer. Ministers zeggen: „Als we Brussel meer macht geven, wint het Front National de verkiezingen.”

Minister Schäuble concludeert: alleen een schok krijgt de Fransen in beweging. Grexit is zo’n shocker. Iedereen is er bang voor. Maar Schäuble, historicus, weet: Europa komt alleen vooruit door crisis. Hij raakt liever Griekenland dan Frankrijk kwijt. Kan het zijn dat Alexis Tsipras die boodschap intussen ook begrepen heeft?