BRIEVEN

Richt transferfonds op

De eredivisie start pas dit weekend, maar Ajax is al uitgeschakeld in de voorronde van de Champions League. Door Rapid Wien, de nummer 2 van vorig seizoen in Oostenrijk. PSV is blij dat het rechtstreeks geplaatst is voor het lucratieve kampioenenbal, maar de sportieve vooruitzichten zijn ook voor die club mager.

Het niveauverschil tussen de Europese topclubs en Nederlandse topclubs is het laatste decennium schrikbarend groot geworden.

De eens zo vermaarde eredivisie is op dit moment een springplank voor talenten, of een plek voor voetballers die tekort komen voor de Europese topcompetities. Voetballers van Ajax, Feyenoord en PSV dromen niet van het pakken van een Europese prijs met hun club, maar vooral van een lucratieve transfer naar het buitenland.

Als de eredivisie aansluiting bij de Europese topcompetities wil krijgen, dan zal het dit op eigen kracht moeten doen. Hoewel velen de hoop op deze aansluiting al hebben opgegeven, denk ik dat er een gouden kans bestaat met de oprichting van een transferfonds naar Noors model.

Noorwegen stort een deel van zijn olie- en gasbaten in een apart fonds. Het rendement van dit fonds wordt gebruikt voor investeringen in de maatschappij. Door de accumulatie van stortingen en rendementen is de omvang van dit fonds enorm en zorgt het mede voor de hoge welvaart in Noorwegen.

Laten we van elke spelerstransfer naar het buitenland 20 procent storten in een fonds dat los staat van de clubs. Op deze manier hebben opportunistische en wispelturige voetbalbestuurders geen invloed op het fonds. Nederlandse clubs verdienen veel geld aan buitenlandse transfers. PSV heeft er alleen al deze zomer 50 miljoen euro aan verdiend. Het rendement van dit transferfonds gaat vervolgens terug naar de clubs, die het kunnen gebruiken voor hun begroting.

Nu zal dit plan op korte termijn betekenen dat de eredivisieclubs over minder liquide middelen beschikken, maar op lange termijn zal het de financiële positie van clubs enorm versterken. Hierdoor zullen Nederlandse topclubs financieel en sportief kunnen concurreren met de Europese topclubs.

Het rendement uit het transferfonds kan op twee manieren worden uitgekeerd: een gewogen gemiddelde naar inleg of een gelijke verdeling over alle eredivisieclubs. Dit lijkt wellicht minder eerlijk, maar verhoogt wel de gelijkwaardigheid tussen de eredivisieclubs onderling. Hierdoor wordt de competitie spannender en aantrekkelijker, wat de sponsorinkomsten en televisiegelden ten goede zal komen.

Hoe eerder ermee begonnen wordt, des te eerder kunnen we genieten van een Nederlandse club die Real Madrid of FC Barcelona het vuur na aan de schenen legt.

Te veel aanbesteed

Pay a little, lose everything

Gooitzen Zitman uit Rijswijk slaat in zijn ingezonden brief Probleem is aanbesteding de spijker op de kop. De dominantie van de cententellers doet zich overigens ook in commerciële bedrijven voor, groot en klein.

De verantwoordelijken bij de NS, bijvoorbeeld, hadden vóór de aankoop van de Frya het oude adagium van John Ruskin (1829-1900) over kwaliteit nog eens moeten nalezen: „There is hardly anything in the world that some men cannot make a little worse, and sell a little cheaper; and the people who consider price only are this man’s lawful prey. It’s unwise to pay too much, but it’s worse to pay too little. When you pay too much you lose a little money, that is all. When you pay too little you sometime lose everything, because the thing you bought was incapable of doing the thing you bought it to do. The common law of business balance prohibits paying a little and getting a lot – it can’t be done. If you deal with the lowest bidder, it’s as well to add something for the risk you take. And if you do that, you will have enough to pay for something better”.

Tom de Meijer

Excuses Jodenvervolging

Dit deed de regering fout

De Joodse geleerden Abraham Cooper en Manfred Gerstenfeld dringen aan op verontschuldigingen van de Nederlandse regering voor het gebrek aan inzet van onze regering in Londen in 1940–1945 om Joodse burgers hier te behoeden voor deportatie naar Oost-Europa (31/7). Maar na een falen met dergelijke grootschalige, gruwelijke, onvergetelijke gevolgen zijn verontschuldigingen niet meer op hun plaats. Wat kan de Nederlandse regering van die tijd precies worden verweten?

De regering heeft vanaf de inval in Polen niet onder ogen gezien dat zij binnenkort gedwongen zou kunnen zijn naar Engeland of Ierland uit te wijken en dus maatregelen zou moeten nemen om bereikbaar te zijn voor een aanzienlijk aantal vertrouwenspersonen voor betrouwbare berichtgeving. Het was dus een loze bewering, toen de regering bij haar vertrek naar Engeland, één dag voor de capitulatie, voorgaf van daaruit leiding te geven. De nodige voorbereidingen daarvoor waren immers achterwege gebleven.

Wie over een radio beschikte, luisterde meestal naar Radio Oranje, al had de bezetter dat verboden. Iedereen hoopte op nadere inlichtingen en instructies over hoe te handelen bij de vloedgolf van maatregelen van de Duitse bezetter. Maar Radio Oranje hield het bij opbeurende en/of aanmoedigende toespraken, waar de bevolking weinig aan had.

Het gebrek aan leiding van de regering in Londen is funest gebleken bij de houding van de ambtenaren. Aanwijzing 31 uit het Landoorlogverdrag en Landoorlogreglement gaf opdracht te blijven functioneren, zelfs als daardoor het belang van de bezetter werd gediend. „Indien echter de ambtenaar, door in functie te blijven, zoodanige diensten aan den vijand zou bewijzen, dat deze grooter kunnen worden geacht dan het nut, dat voor de bevolking aan zijn aanblijven is verbonden, dan zal hij zijn post moeten verlaten.” Uiteraard is op deze zinsnede na de oorlog door menigeen die tot het eind was ‘aangebleven’ een beroep gedaan.

Tegenwoordig wordt er dikwijls van uitgegaan dat de Nederlanders tijdens de bezetting min of meer antisemiet waren of onverschillig. Dat is beslist niet het geval. Anders dan de Fransen, Belgen en Denen, hadden wij in de laatste eeuw niet te maken gehad met Duitse agressie, en waren dus naïef. Daarbij kwam dat de zeer geraffineerde publiciteitstactiek van de Duitsers er voortdurend op gericht was iedereen – Joods of niet-Joods – zand in de ogen te strooien over de werkelijke bedoelingen.

Nederland van die tijd was ook weinig geschikt om mensen te laten onderduiken: overzichtelijk plat land, weinig natuurgebied, nauwelijks ruime comfortabele appartementen waar onderduikers makkelijk ongemerkt konden worden ondergebracht, veel ééngezinswoningen, meestal krap en slecht uitgerust óf zo ruim en comfortabel dat er (inwonend) personeel was en dat werd niet altijd vertrouwd.

Maar het grootste verschil met andere West-Europese landen was dat Nederland een perfecte volksadministratie had met bij iedere ingezetene steevast de vermelding van zijn/haar godsdienst. Daardoor lagen de gegevens voor de ‘Endlösung’ gewoon klaar voor de Duitsers.

Zeventig jaar na de bevrijding staat vast dat de inspanningen van de bezetter om alle Joodse ingezetenen weg te voeren veel minder vaak tot het beoogde resultaat hadden geleid, indien de ambtenaren hier tijdig duidelijke instructies hadden gekregen en de hele bevolking door Radio Oranje behoorlijk was voorgelicht en begeleid. Voor haar incompetentie en ongeïnteresseerdheid draagt de regering van die periode onmetelijke schuld. Onze huidige regering zou het sieren daarvoor publiekelijk schaamte en diep berouw te betuigen. Nu Nederland zich mag verheugen in een daadkrachtig kabinet, lijkt het moment daarvoor te lange leste te zijn aangebroken.

Hieke Snijders-Borst

Immigranten

Tegenhouden met schijntje

In dagblad Trouw van 30 juli lazen we dat minister Lilianne Ploumen en haar Duitse en Franse collega’s met 500 miljoen van de Europese commissie duizenden Afrikaanse jongeren ‘toekomstperspectieven’ in eigen land willen bieden. Zodat ze niet meer naar Europa hoeven.

Met veel bravoure stelde de minister in de Volkskrant van 26 mei dat wij het probleem van bootvluchtelingen kunnen oplossen door 50 miljoen euro te investeren in de Noord-Afrikaanse economie. Nu proberen de minister en haar Europese collega’s ons wijs te maken dat zij jonge en gedreven Afrikanen kunnen tegenhouden met een bedrag dat lager is dan de jaarlijkse begroting van de Universiteit van Amsterdam, waar ik studeer.

Dit is niet alleen pretentieus, het is ook minachtend jegens Afrika – het continent dat jaarlijks meer geld naar Europa stuurt dan andersom. Daarnaast hanteren de minister en haar collega’s een verkeerde aanname. Migratiedeskundigen, zoals Hein de Haas, geven het al aan: economische voorspoed houdt mensen niet in hun landen vast. Het bevordert juist mobiliteit. „Ontwikkeling in armste landen geeft mensen de middelen en verhoogt ambities en leidt onvermijdelijk tot veel meer langeafstandsmigratie”, analyseerde hij op basis van bestaande data.

Een Nederlander kan naar meer dan 172 landen reizen zonder restricties, terwijl een Soedanees maar naar 32 landen kan. Wij zien Afrikanen als ongewenst en gevaarlijk. Daarom nemen zij illegale wegen om naar het paradijselijke Europa komen.

Economen als Philippe Legrain zeggen dat het openstellen van grenzen economische voorspoed in Europa zal bevorderen. Afrikaanse jongeren kunnen de goedkope arbeid die wij naar Afrika brengen, hier uitvoeren. Dat bespaart transportkosten.

Het ontbreekt politici aan moed de waarheid onder ogen te zien. Europese landen investeren miljarden in het sluiten van hun grenzen. Ze moeten hun migratiebeleid moderniseren: Afrikaanse jongeren begeleiden om hun talenten hier in te zetten in plaats van die te verstrooien in de Middellandse zee. Ze hebben geen 500 miljoen nodig, ze willen op ontdekkingsreis. Doe die grenzen open.

Kiza Magendane Student Politicologie en publicist

Dopingautoriteiten

Wij hebben niet gelekt

Tom Wiggers maakt zich – terecht – boos over het uitlekken van testgegevens van ruim 5000 sporters, en over de ongenuanceerde en ongefundeerde conclusies die hieraan verbonden worden (6/8).

Vreemd is wel dat Wiggers daarbij de stelling poneert dat ‘dopingautoriteiten’ hun primaire taak (het beschermen van de schone sporter) verzaken.

Het kan wat mij betreft geen twijfel leiden dat het lek bij de IAAF schokkend, pijnlijk en onacceptabel is. Deze mening heb ik in mijn reacties op het nieuws niet onder stoelen of banken gestoken, en ik heb veel collega's in het buitenland hetzelfde horen zeggen.

Anders dan Wiggers stel ik dus vast dat wij als ‘dopingautoriteiten’ geen verantwoordelijkheid hebben voor het lek bij de IAAF en niet hebben bijgedragen aan de buitenissige verdachtmakingen die her en der zijn opgeschreven en uitgesproken. Door journalisten, welteverstaan.

Herman Ram Directeur Dopingautoriteit

Mexicaanse journalist

Pak Mexico harder aan

Afgelopen woensdag berichtte NRC over de moord op Ruben Espinosa, de Mexicaanse journalist die dood werd gevonden in een appartement in Mexico-Stad. Samen met vier andere vrouwen is hij verkracht, gemarteld en vervolgens vermoord. Als onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam heb ik Ruben tijdens mijn onderzoek naar overheidsrepressie in Mexico goed leren kennen. Het was een journalist die leefde met het idee dat zijn kritiek op de statelijke overheid van Veracruz hem ooit zijn leven zou kosten. Een lot dat door meer mensen wordt gedeeld.

Veracruz is een van de gevaarlijkste plekken op aarde voor journalisten als Ruben. De hoofdaanklager is er snel bij om aan te geven dat de dood waarschijnlijk niet politiek gemotiveerd is. Het tegendeel is waar. Het fundamentele probleem is dat de democratische staatsinrichting van Mexico ertoe leidt dat lokale politici geen formele mogelijkheden hebben om dissidenten snel te vervolgen. Politici die intolerant zijn tegenover de politieke oppositie, trekken de trukendoos open en voeren repressie uit door samen te werken met georganiseerde criminaliteit. Nederlandse beleidsmakers spreken landen aan op een formeel democratisch beleid, in plaats van op de uitvoering ervan. Koenders liet na zijn bezoek aan Mexico weten dat het land politiek steeds meer in lijn ligt met Nederland. Hij prijst het om zijn inzet voor vrede en veiligheid. Schandalig.

Jos Bartman