Wandelen, kijken – en dan schrijven

Vanaf de jaren veertig legde stadsverslaggever Joseph Mitchell het leven van kleine luiden in New York vast. Ver voor de grote ego’s van het New Journalism werd hij de aartsvader van de literaire non-fictie.

Verslaggever Joseph Mitchell op pad in Greenwich Village. Mario Ruiz/The LIFE Images Collection/Getty Images

Het waren andere tijden. Een verslaggever – toegegeven, een van de beste – kon decennia lang geen stuk publiceren en toch zijn baan behouden, in de hoop dat het redactioneel geduld beloond zou worden. Die verslaggever, nee, schrijver, kon elke vierkante centimeter van New York de zijne maken, van de Fulton Fish Market tot het oude Penn Station, van de uithoeken van Staten Island tot de van ratten vergeven kades en riolen. Hij kon eindeloos investeren in relaties met zwervers en zigeuners, barkeepers en gastronomen, oestervissers en Mohawk-indianen die op duizelingwekkende hoogten werkten in de bouw. Althans, zolang die schrijver Joseph Mitchell van The New Yorker was.

De meesten van u zullen nooit van Joseph Mitchell (1908-1996) gehoord hebben, maar hij was, samen met tijdgenoten als A.J. Liebling en John Hershey, de aartsvader van wat we nu literaire non-fictie noemen, tijdloze longreads met literair cachet: ruim vóór de grote ego’s van New Journalism pretendeerden de grenzen te hebben geslecht. Mitchells portretten van kleine luiden en karakteristieke locaties als McSorley’s en Sandy Ground, maakten hem in de jaren veertig, vijftig en zestig tot dé chroniqueur van New York.

En toch was Mitchell, zo leren we uit Man in Profile, Thomas Kunkels onevenwichtige biografie, niet een New Yorker in hart en nieren. Hij groeide op in landelijk North Carolina, zoon van een geslaagde katoen- en tabaksboer die bleef hopen dat Joseph ooit het familiebedrijf zou overnemen. De oude A.N., met wie Joseph op gespannen voet stond, bracht zijn zoon het belang bij van observatie en terughoudendheid, eigenschappen die Mitchell als schrijver vormden.

Ook erfde hij A.N.’s olifantengeheugen voor gesprekken. Wat hij niet erfde, was diens liefde voor de handel. Mitchell, de boekenwurm, trok naar New York om als journalist in de leer te gaan, tot afschuw van zijn vader. Hoewel Mitchell de afstand nodig had, zou hij nostalgische gevoelens blijven koesteren voor het Zuiden. Die vormende jeugdjaren zijn in Man in Profile helaas te schetsmatig uitgewerkt. Zoals we ook te weinig zicht krijgen op Mitchells gezinsleven. Veel sterker op dreef is Kunkel in het uitdiepen van Mitchells werk, methode, wereldbeeld en journalistieke milieu.

Grote Depressie

Mitchell arriveerde in oktober 1929 in The Big Apple, ‘net op tijd voor de beurskrach die het begin van de Grote Depressie markeerde’. Zijn eerste baas was Stanley Walker van de Herald Tribune. De jonge Mitchell schreef over van alles en nog wat: profielen van beroemdheden, korte nieuwsberichten, verslagen van het Lindbergh-proces.

Hij verhuisde vaak in die Depressiejaren, naar adressen aan de Upper West Side en Times Square, in Tudor City en Greenwich Village. ‘Op die manier volgde hij nauwgezet het advies dat Stanley Walker hem had gegeven bij hun eerste ontmoeting,’ schrijft Kunkel. ‘Als een reporter de stad snel in zijn vingers wil krijgen, moet hij zo dicht mogelijk wonen bij het gebied waarover hij verslag doet. En hij moet constant rondlopen.’

Vooral dat laatste nam Mitchell ter harte. ‘Ik begon te wandelen,’ noteerde hij in zijn dagboek, ‘elke dag, in mijn eentje, met een kaart in mijn binnenzak, en een sandwich.’ Al verliet hij spoedig de Herald Tribune, om via een aantal tussenstations bij The New Yorker te eindigen, wandelen bleef een onlosmakelijk deel van zijn routine.

Voor The New Yorker specialiseerde Mitchell zich in langere profielen van stadsgenoten die, tussen de regels door, verschillende aspecten van een verdwijnend New York belichtten. Fameus was zijn portret van zigeunerkoning Johnny Nikanov, en van de stokoude meneer Flood, die in het Hartford Hotel woonde – portretten waarbij Mitchell verschillende personages samenvoegde tot één, een techniek waarbij hij zich, zelfs in die minder strikte tijd, niet altijd senang voelde.

Aan zijn krachtigste onderwerpen was echter niets artificieels: Joe Gould, een dakloze bohémien die beweerde aan ’s werelds dikste boek te werken, en George Hunter, de dominee van de African Methodist Episcopal Zion Church op Staten Island. Kenmerkend voor die verhalen zijn de evocatieve opsommingen en de lange monologen, samengesteld uit flarden en notities. ‘Om je de waarheid te zeggen,’ aldus George Hunter in ‘Mr. Hunter’s Grave’ (1956), ‘ik hecht weinig aan grafstenen. Ze vallen in hoge mate onder dat wat de oude prediker ijdelheid noemde – „ijdelheid der ijdelheden, alles ijdelheid” – en met de oude prediker bedoel ik Ecclesiastes. Er zijn hier stenen die pas veertig, vijftig jaar staan, en nu al valt wat er geschreven is niet meer te ontcijferen. Wat maakt het uit? God houdt wie dood en begraven is net zozeer in Zijn oog als wie nog leeft en rondloopt.’ Alle portretten samen – bijeen in het nog verkrijgbare Up in the Old Hotel – vormden een monument voor de stad die Mitchells hart gestolen had.

Zwerver

Het hoogtepunt was zijn tweede portret van Joe Gould. In ‘Joe Gould’s Secret’ (1964), dat lang genoeg was voor een boek, gaat de schrijver de confrontatie aan met de mythe van de overleden zwerver en zijn eigen dubbele gevoelens. Na dat verhaal, unaniem onthaald met lof, zou Mitchell geen stuk meer voltooien, al kwam hij nog dertig jaar lang gewoon naar kantoor, waar hij wel degelijk zat te schrijven. Maar waaraan? En wat was er gebeurd?

Kunkel draagt verschillende factoren aan – de dood van Mitchells vader en later die van zijn vrouw Therese –, maar wijst vooral op Mitchells perfectionisme en depressies, door de schrijver zelf ‘de Zwarte Hond’ genoemd. Kunkel: ‘Je betaalt een prijs wanneer je officieel tot nationaal erfgoed wordt gekroond – de lucht wordt ijl, de verwachtingen van het publiek groeien. Mitchell hield voor zichzelf altijd al een onmogelijke standaard aan, een lat die, bewust of onbewust, hoger was komen te liggen tijdens zijn twee decennia bij The New Yorker. Nu […] begon het een verlammend effect te krijgen.’

Opdrogen was het logische eindpunt van een proces waarin er steeds meer tijd kwam te zitten tussen zijn stukken. Mitchell probeerde zichzelf vlot te trekken door memoires te schrijven, maar afgezien van drie hoofdstukken is dat project nooit van de grond gekomen. Met het verglijden van de tijd groeide de schaamte. Maar er was nog iets, zegt Kunkel: de liefde voor New York was weg, omdat Mitchells New York niet langer bestond. Hij was relatief jong een man geworden die naar eigen zeggen ‘leefde in het verleden’. Hij zat in McSorley’s, een van de weinige cafés die had standgehouden, om vanaf een vaste stek ‘naar buiten te kijken, een paar kroezen ale te drinken en te mijmeren over vergane tijden’. Het enige wat hij nog wilde was ontsnappen aan het gevoel ‘dat de wereld gek was geworden en spoedig zou vergaan’.