Schrijven als worsteling tussen markt en ideaal

De literaire wereld leek eind 19de eeuw veel op die van nu, zo blijkt uit de roman New Grub Street van de Britse schrijver George Gissing. Literair succes was weggelegd voor de snelle jongens, die heel goed wisten waar de markt om vroeg.

Illustratie Jenna Arts

Grub Street was de straat in Londen waar eeuwen geleden de schrijvers woonden die voor een schamele boterham teksten produceerden voor de lagere segmenten van de lezersmarkt. De straatnaam werd algauw legendarisch: in zijn beroemde Dictionary uit 1755 gebruikte Samuel Johnson de term ‘Grub-street’ om producten van broodschrijverij mee aan te duiden.

Er heeft nooit een straat bestaan die New Grub Street heette. Toen George Gissing zijn in 1891 verschenen roman die titel meegaf, wilde hij daarmee aangeven dat een carrière als schrijver ook in zijn tijd nog steeds neerkwam op een moeizame worsteling tussen markt en ideaal. In de roman wordt die worsteling uitgevoerd door twee jonge schrijvers, Edwin Reardon en Jasper Milvain. Ze zijn met elkaar bevriend, maar omdat ze tegengestelde ambities hebben, groeien ze langzaam uit elkaar.

Edwin Reardon is een serieuze schrijver met verheven literaire idealen. Na een succesvolle roman lijkt hij een glanzende carrière tegemoet te gaan, maar zijn volgende boek flopt. Door geldzorgen geplaagd probeert hij tegen zijn natuur in een roman te schrijven die op de gunst van het grote publiek mikt – een recept voor frustratie, overspannenheid en onenigheid met zijn vrouw Amy, die dacht dat ze was getrouwd met een succesauteur die haar zou meevoeren naar de salons van Londen, maar zich nu zorgen moet maken of er wel geld genoeg is voor de huur.

Jasper Milvain is een opportunist, die zijn talent in dienst stelt van zijn carrière. Hij heeft uitgerekend welk jaarinkomen hij moet verdienen wil hij een comfortabel leven leiden, en hoeveel tijd er voor nodig is om op dat niveau terecht te komen. Met dat doel voor ogen bepaalt hij wat hij moet schrijven, met wie hij in de literaire wereld moet omgaan en wie hij in welk tijdschrift moet aanprijzen of bekritiseren. Hij is zich er volledig van bewust dat de vriend van vandaag de vijand van morgen kan zijn.

Geldgebrek

George Gissing (1857-1903) kende de Londense literaire wereld die hij beschreef van zeer nabij. Hij stopte veel van zichzelf in de tragische Reardon, van de voorliefde voor de oude Grieken tot het nijpende geldgebrek. Hoewel Gissing tegen het eind van zijn leven de reputatie van een gerespecteerd schrijver had verworven, nam zijn roem pas na zijn dood een grote vlucht, niet in de laatste plaats dankzij New Grub Street, die van de meer dan twintig romans die hij schreef het meest tot de verbeelding bleef spreken.

Geld speelt een allesoverheersende rol in New Grub Street. Reardon heeft het niet, slaagt er ook niet in om het te krijgen, wordt door vrouw en kind verlaten en gaat ten onder. Milvain heeft nog niet genoeg voor een zelfstandig bestaan (hij teert op de zak van zijn moeder), maar lijkt gestaag op weg naar zijn doel. Geld gaat bij hem boven liefde. Wanneer hij Marian Yule, een meisje dat hij al jaren kent, ten huwelijk vraagt, komt dat vooral doordat ze een erfenis krijgt. Wanneer de erfenis niet doorgaat, verbreekt hij de verloving dan ook weer.

Geld en huwelijkspolitiek zijn nauw met elkaar verweven in New Grub Street, zoals vaker in negentiende-eeuwse romans. Schrijvers zonder eigen middelen kunnen alleen een literaire carrière opbouwen als ze een vrouw met geld trouwen; maar zolang ze geen geld hebben, kunnen ze alleen maar onder hun stand trouwen, met arme vrouwen ‘uit het volk’.

Slachtoffer van deze catch-22 is de vader van de zojuist genoemde Marian, Alfred Yule, een norse schrijver van middelbare leeftijd die ooit beneden zijn stand is getrouwd en daarom nooit collega’s thuis heeft durven ontvangen. Dit gebrek aan sociaal leven stelt hij verantwoordelijk voor het mislukken van zijn literaire loopbaan. Wanneer zijn dochter Marian haar erfenis lijkt te krijgen, probeert hij haar zo ver te krijgen dat ze het geld gebruikt om een literair tijdschrift te stichten, waarvan hij dan hoofdredacteur moet worden. Zo kan hij alsnog wat van zijn loopbaan maken en eindelijk met al zijn vijanden afrekenen. Tijdschriften waren in die tijd de belangrijkste literaire media en konden reputaties maken en breken.

New Grub Street is meer dan een satire op het Londense literaire leven. Het boek zit vol ironie, zie bijvoorbeeld hoe Milvain zijn doelgroep, ‘de intellectuele hogere middenklasse’ beschrijft: ‘mensen die graag het idee hebben dat wat ze lezen iets bijzonder scherpzinnigs heeft, maar die niet het verschil tussen echt en namaak zien’. Maar nergens offert Gissing zijn personages op aan het vilein-ironische beeld dat hij wil schetsen. Hij geeft ze de diepte die ervoor zorgt dat wij ze als mensen blijven zien. Opportunist Milvain heeft wel degelijk een hart, en soms zelfs een geweten. Alfred Yule is een verbitterde oude man vol zelfmedelijden, maar ook een tragische figuur; er zijn momenten waarop je met hem te doen krijgt.

Niemand wordt neergezet als een karikatuur, ook de bijrolspelers niet, en dat is wat New Grub Street tot zo’n goede en soms zelfs aangrijpende roman maakt. Waarbij het ook nog meegenomen is dat sommige scènes van een larmoyantie zijn die we in moderne literatuur niet meer zouden accepteren, maar waaraan we ons in negentiende-eeuwse romans gelukkig nog probleemloos kunnen laven.

Toch is New Grub Street geen ouderwetse roman. Daarvoor is het verhaal te grimmig, en te tijdloos. Veel is nog hetzelfde. De Reardons en de Milvains zijn nooit uitgestorven, in elke schrijversgeneratie kan je ze aanwijzen, al zal niet iedereen naar dezelfde schrijvers wijzen. Geklaag over de kwaliteit van het onderwijs, het verwijt dat niemand nog lange stukken wil lezen, uitgevers die nieuwe markten willen aanboren – ook bij Gissing is het allemaal al te vinden.

Letterenfonds

Standsverschillen en huwelijkspolitiek zullen tegenwoordig een minder grote rol spelen, maar nog steeds blijft schrijven een onzeker beroep, ook al leven we (nog) in een verzorgingsstaat, zodat verhongeren moeilijker is geworden, en is er tegenwoordig een Letterenfonds dat werkbeurzen toekent. Zolang mensen literaire carrières najagen, zal New Grub Street een actuele roman blijven. De Apenrots der Letteren met alle bondgenootschappen en vetes die daarbij horen, zal altijd blijven bestaan. Of die vetes zich afspelen in tijdschriften of op internet is een detail.

Alleen al wegens het tijdloze karakter is het goed dat er nu een Nederlandse vertaling van het boek is verschenen. Vertaler Mario Molegraaf schrijft een soepel Nederlands, dat hier en daar toch door stroefheden wordt ontsierd. Scheldwoorden en krachttermen vertaalt hij frivool en anachronistisch: ‘What the devil’ wordt ‘godverdomme’ en ‘ass’ wordt ‘lul’. Telkens wanneer een personage het over Grub Street heeft, vertaalt Molegraaf dat met ‘Ploeteraarstraat’, wat gekunsteld aandoet.

Maar geploeterd wordt er wel, in het mistige Londen, waarvan de onheilspellende sfeer door Gissing mooi wordt opgeroepen. De sympathie van de auteur ligt duidelijk bij de koppige Reardon en diens vriend Harold Biffen, de ontroerendste bijrolspeler uit het boek: een bescheiden, straatarme schrijver die met het geven van privélessen in zijn onderhoud probeert te voorzien. Uit het feit dat beiden in armoede sterven terwijl opportunist Milvain een succesvolle toekomst tegemoet gaat, kun je afleiden dat Gissing aan de vooravond van de twintigste eeuw de toekomst van de literatuur somber inzag. Blijkbaar was die toekomst aan de snelle jongens, de wendbare types die precies weten waar de markt om vraagt en zich niet schamen om aan die vraag te voldoen, en zo met behulp van kruiwagens en ellebogenwerk een glansrijke carrière voor zichzelf uitstippelen.

Dood

Waarom blijven Reardon en Biffen eigenlijk hardnekkig een literaire carrière najagen? Ze veroordelen zichzelf tot armoede en de dood. Is het heroïek of masochisme? Of is het levensangst die ze de marges van de maatschappij doet opzoeken? Onwillekeurig moest ik denken aan de openingszin van Een verhaal dat het leven moet veranderen, het boek waarmee Hans Goedkoop zijn carrière als literatuurcriticus besloot: ‘Voor wie het leven in de werkelijkheid vreest is er, zoals bekend, de uitweg van een leven in de kunst.’

Alsof Gissing dergelijke kritiek op zijn personages voelt aankomen, neemt hij het tegen het einde van het boek voor Reardon en Biffen op, in een opmerkelijke passage waarin hij de lezer rechtstreeks toespreekt. Misschien vinden we ze ‘laks, slap’ en ‘opmerkelijk koppig’, schrijft hij, maar Reardon en Biffen zijn nu eenmaal niet opgewassen ‘tegen de ruwe eisen van het leven’. Hij prijst hun ‘zachtmoedigheid en verbeelding’. Hun enige gebrek is dat ze niet in staat zijn geld te verdienen. ‘Maar dat is toch geen reden voor onvermengde verachting?’ Het is indirect ook een pleitrede voor hemzelf, en dat geeft de passage een zweem van zelfgenoegzaamheid. Tegelijkertijd ontroert het: blijkbaar staat er voor de auteur zoveel op het spel dat hij zich genoodzaakt ziet zijn verhaal hiervoor te onderbreken.

Van alle bijfiguren zal vooral de bescheiden Harold Biffen me bijblijven. Hij heeft zich erbij neergelegd dat niemand zijn roman zal gaan waarderen, of ook maar zal lezen – maar wanneer er brand uitbreekt, werpt hij zich in de vlammen om het manuscript te redden, met de doodsverachting van iemand die ervan is overtuigd dat wat hij heeft gemaakt belangrijker is dan hijzelf. Die megalomane bescheidenheid is misschien wel het kenmerk van de ware schrijver. Laat de Milvains van deze wereld zich om hun positie bekommeren, de echte schrijver is de dienaar van zijn werk.