Onheilspellende kunst van na WOI

Expositie in Venetië geeft goed beeld van de Duitse kunst uit de Weimarrepubliek, de ‘Neue Sachlichkeit’.

Christian Schad, Zelfportret (1927)

Weg met het Impressionisme, het Fauvisme, de Romantiek, weg met welke lieflijkheid dan ook. Het was Duitsland, 1919, toen de tijd van de Weimarrepubliek aanbrak met een nieuwe kunst die de moderne tijdgeest weerspiegelde. Elke vorm van sentimentaliteit leek naïef nu de wereld in brand had gestaan. En dus ontstond een harde, zakelijke figuratie om die nieuwe volwassenheid uit te drukken. Over deze ‘Neue Sachlichkeit’ gaat een prachtige tentoonstelling in Museo Correr in Venetië: moderne mannen, moderne vrouwen, fabrieken, strakke steden, en gezien de hoeveelheid moord en prostitutie was ook de liefde passé verklaard.

Want zakelijk betekende ook kil. Je ziet het aan het mensbeeld. De vrouwen met modieuze korte kapsels zijn in een egaal licht en harde lijnen geportretteerd, de kinderen kijken ouwelijk, de mannen doodernstig. Foto’s van treinen en havens tonen de vooruitgang: grijs, modern, rookpluimen.

Beton heet een schilderij van Karl Völker: straat, muur, fabriek, klaar. Ergens herken je de schuine lijnen van de abstracte kunst van kortgeleden, een beweging die ver weg lijkt in deze nuchtere figuratie. Alsof ook abstractie maar naïef zou zijn. Loop langs al die fabrieksgebouwen en zelfbewuste blikken en je ziet de opkomst van een georganiseerde maatschappij. Natuurlijk veranderde dat de mens, het vereiste een zelfstandige burger.

De keerzijdes toonde George Grosz: rijke kapitalisten in mondaine straten, met sigaar in de mond maar zonder oog voor de verminkte oorlogsveteraan pal naast hen.

Ook de minder bekende Georg Scholz portretteerde rijke burgers, als ware monsters. Karl Marx, die deze zomer zo centraal staat op de Venetiaanse Biënnale, is ook in deze kunst al zeer zichtbaar.

Bij een nieuwe tijd hoorde ook technisch een nieuwe kunst: fotografie. August Sander bracht, al net zo zakelijk, de mens in kaart met antropologisch geordende foto’s: de veteraan, de architect, de kolensjouwer, de secretaresse. Hoewel niet karikaturaal worden deze portretten tussen de schilderijen ook wrang: de mens in pak of overall gereduceerd tot beroep, tot iets functioneels. Er moest gebouwd en gewerkt worden in deze wereld, om maar vooruit te komen van dat verleden dat nog erger was dan het heden – snel snel voorwaarts.

Maar dat lukt niet. Want dit alles kwam niet enkel voort uit een vooruitgangsverlangen. De Oorlog heten de aquatint-etsen van Otto Dix uit 1924, zes jaar nadien nog vers in het geheugen: verminkte militairen, soldaten met gasmaskers als doodshoofden, een uiteen gereten paard op het slagveld. Nu de oorlog het slechtste in de mens boven had gebracht, werd alles lelijk: de hoeren, bloot vlees, schedels waar wormen uit kruipen.

Je ziet bleke mensen in de kroeg (Jeanne Mammen), flagellanten en fetisjisten (Rudolf Schlichter), badgasten aan het Venetiaanse Lido bedreigd door een vloedgolf. Met dit schilderij waarschuwde Max Beckmann in 1924 dat Italië door Mussolini Italië ten onder zou gaan.

Maar dat deze tijd later het Interbellum zou heten, bevroedden mensen nog niet. Er was één grote oorlog geweest, goddank voorbij.

Met onze kennis van de geschiedenis worden deze schilderijen nog tragischer dan ze toen al waren: deze wereld, zonder lach of liefde, kon niet anders dan opnieuw op een catastrofe afstevenen.