Luie Polynesiërs hebben majestueuze voetzolen

‘Deze onbehaarde wezel, met spleetvormige ogen en een deemoedige glimlach, ... is perfect, onberispelijk, geslepen, exact. Hij heeft alle voordelen van een nauwgezette vrouw en van een rekenmachine. Maar de moraal van de Chinees is zwart.’’

Een schrijver die vandaag de dag zulke zinnen schrijft, zal het moeilijk krijgen. Het taalgebruik, de toon en het generaliseren laten slechts één conclusie toe: deze man is een racist.

Maar dát is te haastig geoordeeld, zo blijkt uit het reisdagboek van de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra (1894-1961) waaruit ze werden gelicht. In 1936 ondernam hij een reis naar Polynesië, waarvan hij in De blauwe weg verslag doet. Het boek verscheen in 1942 in het Spaans, en in 1964 in het oorspronkelijke Catalaans.

Polynesië fascineert én ontgoochelt hem. Met dezelfde virtuoos-sensuele taal als in zijn roman Knoflook en pekel beschrijft hij vruchten, geuren, dieren, kleuren en mensen. En met de scherpzinnigheid van zijn meesterwerk Privéleven ontleedt hij de onderlinge relaties en de ziel van die laatsten even meedogenloos als begripvol.

Dus schrijft hij: de Polynesiër is lui, maar hoe majestueus weten sommige vrouwen hun voetzool op de grond te zetten! En: de Chinees is sluw, maar zonder hem ‘zouden de elektrische lampen niet branden, peulvruchten zouden niet bestaan, overhemden zouden niet gestreken worden en de muggen zouden ons levend opeten.’

Sagarra zegt wat iedereen dacht. Wie zich daaroverheen zet, vindt in De blauwe weg een prachtig reisverslag vol ambiguïteit. Gespannen door exotische verwachtingen reist hij naar de Stille Zuidzee, waar hij wanhopig wordt van de gedemoraliseerde beschaving: het verbod op inheemse dansen door puriteinse predikers staat tegenover het toegestane Amerikaanse sekstoerisme. Tegelijkertijd beseft hij slachtoffer te zijn van zijn eigen exotisme. Zo beeldend als zijn reisverslag is, zo bespiegelend is het ook.